Ik heb je pleister nog





Toen ik wakker werd was je er nog. Met het dekbed teruggeslagen keek ik minutenlang naar de pleister op je hiel, naar je bruine kuiten en de haartjes op je bovenbenen, waaraan je zo goed kunt zien dat de mens voor onder water is gemaakt.

Ik stelde me voor hoe ik vanaf de bodem omhoogkeek terwijl jij rondjes zwom vlak onder het wateroppervlak. Je was vrij en bewoog als een vis.

Als een mooie vrouw met zwemvliezen.

En ik zag hoe de pleister van je enkel losraakte, eerst het ene eind en daarna het andere, en als een blad omlaagdwarrelde tot waar ik zat. De schaduwen op het gerimpelde zand werden steeds korter, maar ik wilde nog even beneden blijven omdat ik ook wel weet dat pleisters gemaakt zijn voor blaren van het lopen, voor de wrijving tussen schoen en voet.

Dat lopen gaat meestal bij me vandaan.

En ik had het nog niet gedacht of iemand trok aan het koordje van mijn reddingsvest en ik schoot naar het oppervlak en landde dobberend op mijn matras, waar jij, nog maar half slapend, het dekbed weer over je billen trok.

Ik was bang om je nek te kussen.

Voorzichtig stond ik op. Ik zette koffie en ging aan mijn bureau zitten, legde mijn vinger op de spatiebalk en staarde naar de visjes van de screensaver. De klok versprong van 08:02 naar 08:03 naar 08:30.

Je zei: ‘Hoe laat is het?’

‘Kwart voor acht’, zei ik.

In je broekzak, op de grond, ging de wekker van je telefoon.

Ik wilde koffie voor je zetten. Dingen met je doen. Maar je hoorde me niet meer. Je was al aangekleed en weg, en ik – een kus nog gloeiend op mijn wang – vond tussen de rimpels van mijn de laken alleen je blauwe pleister.

[Fotografie: Koen Tossijn]