Een goede dag





Ik pak alle nachtdiensten; als het laat genoeg is en de muziek staat hard genoeg dan vergeet ik dat ik ooit andere plannen had. Meestal werk ik achter de cocktailbar met Roberta, die uit Venezuela komt en te mooi is om zo laat te werken. Gelukkig is ze ook jong, en trots: van gasten neemt ze nooit een drankje aan. Als haar dienst erop zit schenk ik haar een Club met een blokje ijs, dat ze opeet als het glas leeg is.

Ik weet dat ik haar zou kunnen hebben.

Dat is genoeg.

Haar hoofd op mijn kussen, haar lichaam achter mijn beschimmelde douchegordijn – ik heb het niet nodig. Er valt geen zonlicht op mijn ontbijttafel, ik heb geen uitzicht op het plein om samen koffie bij te drinken. Mijn muren zijn dun; de deur piept als ik wegga en klemt als ik weer naar binnen wil.

De laatste weken word ik wakker met het vreemdste gevoel. Alsof er die dag iets fantastisch gebeuren gaat, iets waarover ik iedereen zou moeten vertellen. Soms blijft het bij me tot op mijn werk, en verlicht het de lange metrorit. Het geeft kleur aan de gezichten op straat en als ik in de Candy aankom hangt het als lampionnen boven de dansvloer. Roberta ziet het altijd. Dan kijkt ze op terwijl ze de rietjes aanvult, of limoenen snijdt, en zegt: ‘Is vandaag een goede dag?’

‘Ja, Roberta.’

Een glimlach. ‘Hoe kan het een goede dag zijn zonder mij?’

‘Je bent er toch?’

Het bosje tonicstampers ritselt in haar lange bruine vingers. ‘Je kunt me niet blijven afwijzen, Miguel. Op een dag neem ik een ander.’

‘Op een dag, Roberta, neem ik je mee.’

‘En zal het dan een goede dag zijn?’

‘Het zal mijn beste dag zijn, Roberta. Mijn allerbeste.’

[Fotografie: Jeroen Minnaerts]