Blauwewafelpenose

Ik ben niet nieuwsgierig. Dat is meer iets voor mijn vrouw, die haar (voor haar familie kenmerkende) snavelvormige reukorgaan met grote regelmaat door brievenbussen duwt of boven schuttingen laat uitsteken. Als er ’s avonds het minste geluid op straat is staat ze al bij de vensterbank, haar neus tegen het glas.

‘Je maakt nog krassen’, roep ik dan vanaf de bank, genietend van het feit dat ik helemaal geen aandrang voel om me bezig te houden met de dronken man die met twee tassen lege flessen door ons straatje slalomt, of de zoenende tieners op het bankje voor de deur.

Laatst liepen we over de wallen. Het was ouderwets takkenweer, en dan is die route extra aantrekkelijk. Het licht van de ramen houdt je warm en aangezien het rond de kerstdagen was, waren er allerlei mooie versieringen op de ruiten. Sommige meiden hadden kerstmannenmutsjes op.

‘Zouden zij misschien die blauwe wafels eten?’, vroeg mijn vrouw toen we een grachtje overstaken. Het is een terugkerend onderwerp van ons: de honderden zaakjes op deze route die naast gruwelijke koude pizza’s met worst en blikananas ook allerlei kleurstofgecoat gebak verkopen. Zo hebben ze wafels met een roze, een gele, of al helemaal onvoorstelbaar: een dikke blauwe laag erover. Alsof die dingen bij de bushalte stonden op het moment dat een zelfmoordterroristsmurf zich daar de hof van Eden in smurfte.

‘Ik denk het niet’, zei ik. ‘Ik denk vooral Schotse toeristen. Die eten ook gefrituurde Marsrepen.’

Mijn vrouw knikte. Bedachtzaam ging haar snavel op en neer. Na even zei ze: ‘Hoe vies denk jij dat die blauwe wafels zijn? Ik bedoel: het zou zomaar kunnen dat we iets laten liggen dat lekker is.’

‘Onmogelijk’, zei ik. We kwamen tot stilstand bij een vitrine met groene wafels, waarop melkchocoladespikkels waren aangebracht. Ze stonden naast een bak met knakworsten die op ongaar afbakstokbrood waren gedrapeerd. Een gestolde laag nepkaas lag er als een gebruikte luier overheen. Instinctief deed ik een stapje terug. ‘On-mogelijk.’

‘Maar jij zegt toch altijd dat je alles moet proeven?’

Ik knikte, want dat was zo. Als het om eten ging was ik misschien wel nieuwsgieriger dan mijn vrouw. Als het om eten ging was ik een soort Peter R. de Vries met snor. De Peter R de Vries zoals we hem het liefste zagen voordat hij ophield met zijn programma, en we erachter kwamen dat we hem toch het liefst helemaal niet zagen. Ik zette mijn vingers op mijn neus en kneep erin. Probeerde zo Aalsmeers mogelijk te klinken.

‘We zullen wel nooit weten’, zei ik. ‘Wat er precies met die blauwe wafels aan de hand is. Maar wat we wel weten is dat er een luchtje aan zit. Dat het hele zooitje stinkt.’

We liepen door en lieten de blauwewafelpenose achter. Gelukkig was de Zeedijk dichtbij. Daar hadden ze kommen warme wantansoep om onze kouwe tengels omheen te krullen.