Troppo Buono

Mijn eerste kennismaking met de kako was in Friuli, waar ik met mijn vrienden Leonardo en Francesco een wandelingetje maakte in de heuvels boven Cividale. Aan de rand van een wijngaard stond een groene boom met knaloranje vruchten, die lonkten als aardbeien met slagroom op de warmste dag van het jaar.

‘What’, vroeg ik omdat mijn Italiaans nog belabberd was, ‘are those?’

‘Sharonvruchten’, zei Leonardo, en richtte zijn aandacht ergens anders op.

‘Kaki’, zei Francesco. ‘They suck ass.’

‘They’re edible?’

‘Some would say that.’

Ze hingen zo voor het plukken dat ik het niet kon laten. Met mijn jaszakken vol oranje ballen huppelde ik terug naar huis, waar ik alles met de Sharonvrucht zou proberen wat ik kon bedenken en erachter zou komen dat je er he-le-maal niks mee kon. Die dingen hadden bijna geen smaak en de smaak die er was, was ergerlijk. Als iemand die in een druk gezelschap de hele tijd zijn mond houdt, zodat je je gaat afvragen of je hem beledigd hebt.

In de jaren die volgden gebeurde het af en toe dat een vriend de Sharonvrucht tegenkwam op de markt. Zoals wel vaker met ‘nieuwe’ producten belde die vriend mij dan om te vragen wat hij ermee moest. Was het een vrucht of een groente? Geschikt voor hartig of zoet? Moest hij rauw gegeten, geroosterd of gekookt? Of was het beter om er een taart mee te bakken?

‘Nee’, zei ik steeds. ‘Wat je doet is dit: neem de vrucht in je linkerhand… Luister je?’

‘Ja?’

‘Doe nu met je rechterhand de vuilnisbak open…’

Wie schetst mijn verbazing als ik een week of wat geleden op Facebook een foto van een kako aantref met daarboven het kopje Troppo Buono [Te Lekker]? En wie kleurt mijn verbazing met dikke zwarte inkt in, als die post geplaatst blijkt door Wally Bosman, een van de beste koks die ik ken en iemand van wie ik alles (dat niet aan hem vastzit) ongezien in mijn mond zou doen?

Gelukkig kwam Wally eten en kon ik hem zelf ter verantwoording roepen. Ik wachtte tot hij zijn toetje ophad voor ik met een omtrekkende beweging naar zijn tafeltje liep. Het was even moeilijk waar ik moest beginnen. Ik wilde niet dat hij aan mijn toon zou horen dat ik door die ene post bijna alle respect voor hem verloren had.

‘Wally?’, zei ik. Mijn veters zaten los en ik vroeg me af of ik die niet eerst moest strikken. Maar nee, ik moest doorzetten. De waarheid moest boven tafel. ‘Laatst schreef je dat je een kako gegeten had en… dat die lekker was. Hoe zit dat?’

Wally – die door al het eten en de wijn wat onderuitgezakt was – veerde op in zijn stoel. ‘Ja man, te lekker. Met yoghurt en suiker. Je moet ze kopen als ze zo zijn van: istie nou rot, of kan het nog? Dat ze zo een beetje slap in hun vel zitten, als ouwe tomaten.’

Het klonk steeds minder lekker. ‘Maar wat is er dan zo fijn aan?

‘Weet ik niet.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Misschien is het wel een Italiaans ding.’

Ik knikte. Dat Italiaanse dingen lekker waren begreep ik wel. Maar wat had ik fout gedaan? Hoeveel potentieel te lekkere vruchten waren dankzij mij al de vuilnisbak in gegaan? Het zou me niet loslaten.

Gisteren, op mijn wandeling met Otis de Hond, werd mijn aandacht getrokken door een doos oranje ballen die bij de Turkse winkel voor de deur stond. Ik sloop erheen, vond een vrucht die los in zijn velletje zat en vroeg me af of hij rot genoeg leek. Na nog eens goed om me heen gekeken te hebben bracht ik hem naar binnen, waar ik de kako in een anonieme papieren zak liet verpakken.

Thuis draaide ik een aantal uren om het ding heen. Ik probeerde de hints van mijn vrouw over de vreemde vrucht in de papieren zak op onze de fruitschaal te negeren, maar in de middag kon ik er niet meer tegen. Ik legde de Sharonvrucht op een snijplank, sneed hem door en verwijderde zijn kroon. Daarna maakte ik vette Turkse Yoghurt aan met suiker.

De eerste hap liet lang op zich wachten. De tweede ging al sneller en binnen een paar minuten waren onze bordjes leeg. Het was pijnlijk, maar inderdaad: Troppo Buono.

Het gekke is dat ik nog steeds niet kan zeggen waarom. Nog steeds is de kako niet echt zoet, heeft hij geen mooi zuurtje, en heeft hij nauwelijks karakter. Hij zit daar maar, aan de rand van het gezelschap, stil en teruggetrokken. Toch zou het geen echt feestje zijn als hij er niet bij was. Je hebt hem soort van nodig.

Misschien is het een Italiaans ding.