De witte ring





Het jurkje lag over een stoel in de slaapkamer toen we aankwamen. De stof rook naar diepe zomer: naar venkelzaad, lavendel en hars. Je trok het aan en het was alsof ik in mijn eentje naar het huisje gereden was. Alsof ik je daar, in de slaapkamer, gevonden had. Je was naakt onder de stof en viel achterover op het bed. De avond rekte zich uit en er was zoveel tijd dat ik er duizelig van werd.

In de ochtend ging je naar de tuin, om droogbloemen te plukken. Vanaf het bed keek ik je na. Ik vroeg me af of ik gelukkig was en glimlachte als vanzelf. De glimlach bleef tot je door de openslaande deuren binnenkwam, een grote bos onder je arm. Je vroeg een vaas.

Ik zei: ‘Ik help je.’

In de keuken liet je de schaar op tafel vallen, en schudde je bevrijde hand. Het knippen van de harde stelen had rode ringen om je vingers gemaakt, die ik wegkuste terwijl je lachte.

‘Het kietelt’, zei je. ‘Ga door.’

En ik ging door, maar meed de vinger met de witte ring.

‘s Avonds reed ik je naar het begin van de zandweg, naar het muurtje waar de telefoons hingen. Je klemde je portemonnee onder je elleboog en stak muntjes in de gleuf en toen hij opnam wist ik het, omdat je naar de grond keek en daarna naar je linkerhand. Naar de vinger met de witte ring.

Weer naast me in de auto zei je: ‘Ik kan niet blijven. Het is verkeerd.’

Je blote schouder was bruin en zoet.

Ik durfde je niet aan te raken.

Je stapte uit en liep over de weg alsof je er je hele leven had gewoond en ik vroeg me af hoe dat verkeerd kon zijn en wachtte met mijn handen op het hete stuur tot je stil zou staan. Tot je je om zou draaien.

[Fotografie: Annemarijne Bax]