Amsterdam





Het was de lelijkste tijd van het jaar. De sneeuw smolt en de heuvels leken op hopen gebruikt wcpapier. Danny reed. Aan mijn kant van de auto kwam de vangrail steeds dichterbij. Ter hoogte van Koblenz waren we een zijspiegel verloren bij het inhalen van een vrachtwagen; het ding tolde door de lucht en spatte uiteen op het grijze beton van de snelweg. Even waren we weer klaarwakker.

Om kwart over zeven kwam de zon op. Ik pelde de tape van mijn tatoeage om er vaseline op te smeren en staarde naar de zwarte en rode inkt, de lijnen scherp als een nieuw Stanleymes.

De oude man lag duizend kilometer achter ons. Zijn gele vingers, zijn vervuilde huis en de angst in zijn ogen werden steeds kleiner. Zijn bloed was het lichtste rood geweest. Grenadinerood. De schoenendoos stond op de achterbank.

De dagteller draaide van 899 naar 900.

‘Danny’, zei ik. ‘Waar gaan we heen?’

Danny schudde een Lucky uit het pakje in zijn borstzak en wachtte op de aansteker. De huid onder zijn ogen was opgezwollen. Met zijn gemillimeterde haar zag hij er vreselijk jong uit. Ik pakte de spiegel beet en draaide hem mijn kant op, keek naar mijn nieuwe kapsel. Het was te blond.

‘Amsterdam’, zei Danny en liet zijn hand over mijn knie gaan, over de gaten in mijn rode panty. ‘Eerst naar het casino. We zetten alles in die doos op rood.’

Ik deed mijn ogen dicht en dacht aan groen vilt, aan zwarte en rode vlakken met de witte nummers. ‘En op de drie.’

Danny stak zijn sigaret aan en ik probeerde de drie in mijn hoofd vast te houden, als een holbewoner die een beer op de muur van zijn grot tekent om een beer te kunnen vangen. De zon drong door mijn oogleden naar binnen en maakte het rood van de drie steeds lichter. Tot het de kleur van Grenadine had.

‘Danny?’ zei ik, en deed mijn ogen open, ‘vertel nog eens over Amsterdam.’

[Fotografie: Koen Tossijn]