De brug





Ik kan niet meer slapen. In de veel te vroege ochtend stap ik onder de douche. De zeep is uitgedroogd, gebarsten. Als ik een nieuw stuk uit het mandje pak, schiet het uit mijn vingers en landt tollend in het water aan mijn voeten.

Mila, roep ik bijna, kom me even helpen.

Voor de beslagen spiegel poets ik mijn tanden. Het flossdraad loopt vast tussen mijn kiezen en breekt. Vloekend prop ik de resten in een pedaalemmer die zo vol is dat er meteen weer dingen uit vallen. Op het bed vind ik mijn T-shirt van gisteren en trek het aan.

Ik ga naar de keuken en laat de kraan lopen tot het water koud is. Met het glas in mijn hand staar ik naar mijn weerspiegeling in de donkere ruit van de balkondeur tot de lucht in het westen paarsblauw begint te kleuren. Langzaam verdwijnt de oude man.

Op straat is het rustig. Een vrouw met een grote herdershond komt voorbij; een dikke man op een brommer met een tros vishengels onder zijn arm. Terwijl de eerste zonnestralen de ruiten aan de overkant van de gracht in lichterlaaie zetten begin ik te lopen.

Achter het station, waar de pont vroege forensen naar de noordkant van de stad vaart, glip ik door de opening in het hek. Ik ga zitten op een stapel bielzen en kijk uit over de koele golfjes van de rivier en de ontwakende stad.  

Op de terugweg koop ik brood. De brug over de gracht gaat open en naast me komt een man te staan, een jongetje voorop zijn fiets. Met grote ogen kijkt het joch naar de opklappende straat, naar de prullen en lollystokjes die over het asfalt naar ons toe glijden; naar de witte pijlen op de brug.

‘Kijk’, zegt de man, en wijst. ‘Hier loop je zó de hemel in.’

Het brood valt uit mijn handen. Als ik buk om het op te rapen gaat de brug alweer dicht, en heb ik mijn kans voorbij laten gaan.

[Fotografie: Koen Tossijn]