Terug

Na drie dagen rijden kwamen we aan in Cilento, waar de hitte middagslaapjes afdwong in ons huisje op de steile heuvel aan zee. Er waren geen buitenlandse toeristen in San Marco di Castellabate.

Hoewel mijn Italiaans beter was, stonden de jongens die een kiosk aan de kade beheerden er steeds op Engels met me te praten. Ik dronk wat brommerig mijn koffie en las Eduardo Halfon (Koppernik, gewoon doen) terwijl B met de kinderen snorkelde.

Op Nadim na, die dertien is, waren we elke dag vroeg op. In de ochtendschaduw wandelden we met Ada over een kronkelend pad dat langs zee naar het zuiden leidde. De huizen aan weerszijden deden me denken aan Hemingways jaren aan de Mediterranee.

Hier rond te lopen in die tijd, dacht ik. Hoe alles toen zichzelf nog was. De mensen woonden echt in deze huizen, spraken hun eigen taal me je. De vele bordjes met te huur en alle kettingsloten op de poorten lieten zien dat een plek zo mooi als deze vooral een investering was geworden, of een zomerverblijf voor mensen die rijk genoeg waren om er de rest van het jaar niet te hoeven zijn.

Steeds sterker zie ik het belang van plek – plekken waarvan je houdt gaan bijna net zo makkelijk verloren als mensen. Hoe langer je wacht met ergens terugkeren, hoe minder waarschijnlijk het wordt dat het bij je terugkeer in meer dan naam bestaat.

Ik heb veel in Italië gereisd de afgelopen twintig jaar en waar chartervluchten verschijnen verdwijnt identiteit. Een stad als Rome is weerbarstiger omdat de locale economie over veel meer dan toerisme gaat. Van een stadje als Monopoli in Puglia is dat niet te zeggen.

Soms probeer ik Nadim uit te leggen hoezeer alles tijdens mijn leven al is veranderd, hoe locale identiteit door toeristen en het internet verruild wordt voor generieke glossy bagger. Hij lijkt me te begrijpen, maar is ongevoelig voor de ernst en daarin zit de reality check: ik ben bij de voorbije generatie gaan horen omdat ik zeik over hoe het allemaal minder wordt tegen mensen die dat totaal niet voelen.

Aan het einde van het pad stond een verlaten klooster, een pier met vissersbootjes eraan – het houten soort, voor dagvangst. Ondanks het vroege uur beukte de zon al op het water. Omdat er geen strand was, was er geen barretje, geen winkel voor slippers en snorkels en zonneschermen.

We waadden tussen de bootjes door het water in, keken naar een paar bejaarden die met zonnehoedjes op pootjebaadden bij het puntje van de pier. Dobberend op de kalme ochtendgolven keek ik naar een kleine wijngaard op de heuvel, naar het oude kalkstenen huis ernaast.

Wie zoals ik zijn oren heel goed spitste, kon het geratel van een oude schrijfmachine horen.

Warm

Hitte verbindt. Er wordt minder van je verwacht; je verwacht een stuk minder van anderen en veel minder van jezelf.

Bij hitte doe ik alles langzaam en merk dan dat ik hetzelfde gedaan krijg – zelfs na vijf duiken in de gracht en anderhalf uur staren sluit ik mijn laptop in de middag met tevredenheid.

Ik zwem, douche koud en fiets net snel genoeg om overeind te blijven naar café De Druif. Het terras is bijna leeg als ik begin en een uurtje later zijn alle stoelen bezet; de gasten drinken, maar ook dat gaat traag.

De sweet spot van zo’n avond ligt rond halfacht, als het net iets koeler wordt – mensen gebruiken de losgekomen energie meteen om sneller in te nemen, waarvan ze dorst krijgen, waarna het allemaal nog sneller gaat.

Johan bestelt een derde rum met cola zero en laat zijn nieuwe tatoeages zien; hij heeft vaak nieuwe tatoeages en is niet verlegen. Ik houd mijn hart vast voor de dag waarop zijn bovenlijf ramvol zit en hij zijn broek zal laten zakken.

Johan wil dat zijn huid na zijn overlijden tentoongesteld wordt. Ik weet niet of hij al bedacht heeft waar.

Collega’s komen langs en hangen op het trappetje naar de opkamer, bij de kop van de bar. Telkens als ik een bestelling wegbreng moet ik langs ze heen bewegen, wat ik heerlijk vind – dat fysieke aan het werk achter een bar.

Het personeel van een naburig bedrijfje komt uitgelaten binnen. Ik complimenteer ze met de sfeer die ze meenemen, maar vraag ze om niet te zingen met het oog op onze bovenbuurvrouw.

Buuv Mascha is een wonder: boven een knetterdrukke kroeg wonen en daar steeds het fijne in blijven zien. Je ergeren, dat doe je zelf, zei iemand laatst.

Elke donderdag heb ik plezier met mijn gasten en zij – hopelijk – van mij. Soms kom ik langs terrassen waar een heel ander publiek zit, waar het personeel vooral lijkt te bestaan om met dienbladen te slepen.

Ik snap niet dat je dan voor dit soort werk kiest. Als je het niet voor de mensen doet, voor het contact, dan zijn er honderd opties die beter betalen en minder moeite kosten.

Als ik werk komt iedereen een beetje bij me thuis. Ik snap best dat zo’n houding niet lang vol te houden is, dat ik makkelijk praten heb omdat ik maar één avond werk.

De sweet spot van de horeca zit hem in die ene avond. Dat het nooit teveel kan worden.

Ik zou dit werk ook zonder betaling doen, al moet ik toegeven dat het laatste uur van elke dienst me tegenwoordig gestolen kan worden. Als je jong bent dan kun je tegen het einde van een werkavond in een soort overdrive raken: snel alles schoonknallen en dan nog samen uit.

Soms overweeg ik het, een keertje meegaan naar de Nachbar of de Pollux, maar om twee uur ’s nachts knalt deze postduif altijd op de automatische piloot naar huis.

Zomerverlies

Alle ramen stonden open en toch was het warm in mijn keuken. Ik sneed knoflook in dikke plakken en liet die bruinen in de lekkerste olijfolie, hakte een paar rijpe vleestomaten en voegde die toe, dopte hulkgroene erwtjes.

Als ik buiten de deur ga eten maak ik voor vertrek iets voor de thuisblijvers; je bent huisman of je bent het niet. Om een of andere reden maak ik dan gerechten waar ik zelf vreselijk veel zin in heb, wat het bijna lastig maakt om nog op restaurant te gaan.

Toen B en de kinderen aan tafel zaten sprong ik op de fiets en cruisede door de warme stad. Mensen waren opgewekt en hingen rond op straat, op trappetjes voor huizen. Amsterdammers praten graag en luid en ik ving flarden van tientallen gesprekken op, pikte een eclectische muziekmix mee uit al die open ramen.

Wat een groot onrecht in de wereld, dacht ik niet voor het eerst met veel emotie, dat er plekken zijn waar de mensen zich niet op de fiets door hun stad verplaatsen. Er zijn mensen, dacht ik, die nog nooit met hun kindje voorop van een bruggetje zijn gefietst. En dat zo’n meisje dan haar armpjes de lucht in steekt en juicht.

Nee, deze wereld was niet voor iedereen een paradijsje. Daar moest ik me wel bewust van blijven.

Voor het restaurant van Mariko trof ik Ivo op de stoep. Hij rookte beslist geen sigaretje terwijl hij zijn socials checkte. Mijn vriend keek op en glimlachte.

‘La Hillen kondigt net haar academisch kwartiertje aan,’ zei Ivo.

‘Helemaal prima,’ zei ik, en zette mijn fiets op slot tegen een lantaarnpaal.

We stapten naar binnen, werden begroet door Mariko en mochten een tafeltje op het balkon. Hoewel ik vaker bij restaurant An gegeten had, wist ik niet dat er tafels op het balkon waren.

In de openlucht aan een binnentuin eten is een heel on-Amsterdamse ervaring. We bestelden een biertje en maakten de eerste grappen van de avond. Ik vertelde Ivo dat mijn werk er voor de zomer bijna op zat, dat ik alleen nog wat schreef en kluste, maar verder zonder al te veel gedoe de vakantie in zou glijden.

La Hillen arriveerde met goed nieuws uit Portugal en ons zomergevoel dijde verder uit. Het leek hier eigenlijk al heel sterk op vakantie. Er was nog een fles saké nodig, ook meer wijn en bier. Niemand was van plan het laat te maken, maar god wat zaten we toch lekker in het groen op een balkonnetje.

Ik bedacht dat ik Ivo en Rinske voor de zomervakantie waarschijnlijk niet meer zou zien; dat dit voorlopig onze laatste avond samen was. Ik zag nu al uit naar hun bruine en ontspannen versies over anderhalve maand.

Heel laat zou het niet worden, maar toen we An uit liepen was het echt nog wat te vroeg. Een laatste drankje bij Brecht konden we nog wel doen, daarna zouden we elkaar gaan afstaan aan de zomer.

De bekende weg

Het Zeeuwse dijkhuisje van B’s tante is al een jaar of twintig in mijn leven. Het is er stil, er is veel licht en de zee voelt heel dichtbij, maar rond de dijk is geen toerisme. Het enige wat er verandert is de tuin: er zijn meer rozen dan voorheen. De wilg is groter, en de kwee.

B’s oom maait het gras niet in de zomer, waardoor er veel insecten zijn en het koeler aandoet in de tuin – ook op de warmste dagen lijkt het fris.

Ik hoef er niet eens te zijn om het graan te zien, de uien in het veld te ruiken. Toen onze zoon Nadim nog klein was waren hij en ik een paar keer per jaar in Zuidzande, nu kan ik er nog af en toe met Ada (8) heen. Afgelopen week had ze vrij van school en gingen we weer eens die kant op.

De rit duurt bijna drie uur. Je moet eerst door de hele randstad. Bij elk knooppunt vertelde ik Ada dat er weer auto’s afsloegen, dat het minder druk zou worden. Zelf sloegen we af na Bergen op Zoom, we doken de tunnel in na Goes en het werd almaar stiller, tot we bij Oostburg kwamen, afsloegen naar Zuidzande.

‘Kijk,’ zei ik. ‘Nu zijn wij de enigen. Zie jij het huisje al?’

Dit spel is er altijd geweest: na Oostburg doen we wie het eerst het huisje ziet. Ada ontwikkelt zich er niet echt in, ze blijft de verkeerde kant op kijken, verkeerde huisjes aanwijzen. Pas als we de laatste afslag genomen hebben en recht op ons doel afrijden roept ze heel hard dat het dáár is.

‘Dáár!’ riep Aad. ‘Daar is het huisje!’

Wat het is aan die kleine boerenwoning dat mijn kinderen zo gelukkig maakt blijkt moeilijk te benoemen. Het stikt er van de boekjes, speelgoedjes en tekenmaterialen, maar dat hebben ze thuis ook. Verder is er niet heel veel te doen. We gaan naar het strand, de speeltuin, een vast cafeetje. Als we er wat langer zijn dan lunchen we een keertje bij een restaurant over de grens met geblokte tafellakens en obers in uniform.

Maar misschien ligt de kracht van het huisje meer in lijn met iets wat ik als jonge vader merkte: als je die baby rustig wilt krijgen, moet je eerst zelf rustig zijn.

Ik zette een strandstoel in het hoge gras onder de wilg en rolde een kleedje uit voor Aad. B’s tante had een paar bouwpakketten van het muizenhuis gekocht en voor ons achtergelaten. Urenlang knutselde mijn kind met een glimlach op haar gezichtje – hoe moeilijk het ook werd, ze verloor nergens haar geduld.

Ik zat in mijn stoel, las. Als ze er niet uitkwam met een bouwsel dan gaf ze het aan mij en hielp ik haar een beetje. Een hele uitzet groeide op het kleedje om haar heen.

In de schemering besloten we een wandeling te maken op de dijk, waar ik een foto van haar maakte. Ada rende voor me uit en ik besefte dat ik hier al zo lang kom, dat ik zo vaak in mijn leven naar deze plek heb kunnen gaan dat ik hem overal ter wereld op zou kunnen roepen.

Dat ik me er thuis zou kunnen blijven voelen, ook als hij al lang niet meer bestond.

Geen weer

Omdat onze vriendengroep door aanvullende kinderen en huisdieren bijna alle vakantiehuizen ontgroeid is en de resterende vakantiehuizen hatelijk duur zijn geworden, bedacht ik een alternatief.

We zouden een tentenkamp opslaan bij S en L, die sinds kort een boerderij met flink wat grond in Wardoe bewonen. Fikkie stoken, buiten koken, disco met de kinderen, sterrenstaren in de nacht.

Ik kijk nooit naar weersvoorspellingen omdat ze je humeur beïnvloeden met onbetrouwbare wetenschappelijkheid, maar de anderen keken wél: een week tevoren werd duidelijk dat het hoogstwaarschijnlijk zou gaan gieren van de regen.

Als vrienden zijn wij niet voor één gat te vangen. Er was open vuur, er was een droge loods, er was een houtgestookte hottub. Er was veel meer wijn mee dan er ooit regen zou kunnen vallen.

Aan het einde van de eerste avond, toen onze mensensoep klaar was, de hottub weer leegliep en iedereen zich had afgedroogd, trok men zich voor de nacht terug in tenten en woonwagens.

De wind zette er nog een tandje bij en de woonwagen waar B en ik in lagen leek wel een bootje op woelige baren, maar al snel sliep iedereen.

In het holst van de nacht werd ik wakker van B’s onrust.

‘Moeten we niet naar buiten,’ zei ze. ‘Kijken hoe het met die jongens in de tent gaat?’

‘Maak je niet druk,’ zei ik. ‘Nadim en zijn maat vinden dat alleen maar spannend. Plus die tent staat achter de heg.’

Toen ik bijna weer in slaap gevallen was landde er een druppel op mijn schouder. Ik wachtte een klein uur tot de tweede zou vallen en ik een emmer voor deze lekkage zou moeten zoeken, maar een tweede druppel kwam heel lang niet – pas toen ik net weer droomde petste er eentje op mijn kin.

Na een gebroken nacht bleek dat de tent van de jongens was weggewaaid. S en L waren om vier uur ’s ochtends opgestaan om hen naar binnen te halen en in het bed van een van hun eigen kinderen te leggen.

Gelukkig leken Nadim (13) en zijn vriend het allemaal als een avontuur te hebben ervaren. In de verwarring hadden ze hun tassen wél buiten laten staan, waardoor ze verder moesten met de kleren die ze aanhadden.

We ontbeten, keken vanonder een afdakje naar de regen. In de middag reden we met bakbrommers naar het strand; er werd geracet op een zanderige bouwplaats. Ik hield mijn hart vast toen Ada (8) voorop de opgevoerde bak van L tegenhing terwijl hij ermee driftte en donuts draaide.

Mijn broer P kwam – zoals te doen gebruikelijk – een dagje later aan met uitstekende zin en een blokkie hasj om te delen. In de middag maakte ik een gigapan curry op het houtvuur, bakte daar boternaan bij en grillde kip voor de kinderen.

Van lange reizen herinner je je de files meestal niet, van weekends weg verdwijnen met de jaren wind en regen.

Wat van ons pinksterweekend in Wardoe zal overblijven: al die kinderen, over het erf razend in een stoet van skelters en driewielers; B die huilend van het lachen over de rand van de hottub hangt; de lange tafel in de loods vol vrienden.

Hoe de kleinste kinderen mijn nog dampende brood met grote ogen vasthielden voor ze er een hap van namen.

De wind ging liggen en het regende iets minder hard. We zaten nog een tijdje in de hottub en gingen daarna vrij vroeg naar bed. Iedereen sliep diep, zelfs de kinderen met slaapproblemen.

Op de laatste ochtend was het zonnig. Ik bedacht dat in de zon zitten hetzelfde werkt als het inhalen van slaap: hoeveel dagen en nachten het ook geregend heeft, één warm uurtje en het lijkt allemaal best mee te zijn gevallen.

Vaart

Precies een jaar na haar dood reden we met mijn moeders as naar Hilversum. Ada (8) zat naast me op de bijrijdersstoel, onder haar voeten lag de asdoos, met naam en datum op een sticker op de voorkant.

Mijn moeders as heeft na de crematie een week op de kast in onze woonkamer gestaan, daarna is hij naar een plank boven de wasmachine verhuisd – die dozen lijken erg op waspoederdozen. Toch vergat ik nooit dat ze er was.

Alsof ik steeds kon voelen dat mijn moeder het prettig vond om bij ons thuis te hangen.

Voor haar dood was ze nergens meer tevreden geweest dan in onze woonkamer op de bank: de kinderen om naar te kijken, gesprekken om op te reageren, al dat leven om haar heen zonder dat er van haar iets gevraagd werd.

Ik had het daar vaak moeilijk mee.

Die arme vrouw, zou je zeggen. Kanker overal, haar man net overleden – fijn toch, dat ze even helemaal niks hoeft.

En je zou gelijk hebben, maar daarbij overslaan dat mijn moeder de laatste veertig jaar van haar leven tot heel weinig gekomen is. Dat ze haar wereld steeds verder liet krimpen wegens fysiek ongemak, maar ook door faalangst, een hang naar afhankelijkheid waartegen ze zich niet verzette, een verzet tegen het leven als geheel waarvan ze zich niet bewust was en een neerwaartse spiraal van inertie.

Waar haar asdoos in de eerste weken vaak herinneringen bovenhaalde aan hoe graag ze zich had laten verzorgen en hoe prettig ze zich voelde bij ledigheid – dat ding dat stond daar maar – ging ik haar die tijd bij ons in huis steeds makkelijker gunnen. Ze had weinig nodig, vond het heerlijk om niet alleen te zijn, al dat leven om haar heen te voelen.

De wasmachine staat in de werkkamer van ons huis, en als ik zat te schrijven stond die as vlak achter me. Ik ben bezig met een roman over een liefde in het Brabant van de late jaren ’60 – de relatie die mijn ouders hadden staat daarvoor model. De hele periode die ik nodig had om van de kindertijd van die twee personages tot hun ontmoeting te komen, las mijn moeder over mijn schouder mee.

Betere herinneringen aan haar namen langzaamaan de overhand; de ellendige laatste jaren werden overschreven door gedachten aan de periode waarin ze een ook sterke moeder voor me was.

Niet ver van het huis in Hilversum waar mijn ouders woonden loopt een bospad met een stokoud bankje eraan. Wie daar gaat zitten kijkt uit over weilanden van Natuurmonumenten met meer bos aan de horizon. Er lopen paarden rond; de zon gaat onder aan het einde van een lange vaart. Omdat het allemaal beschermd gebied is, zal er nooit gebouwd worden, nooit meer iets veranderen.

Toen mijn ouders nog goed ter been waren, liepen ze vaak naar dat bankje om er bij zonsondergang te zijn. Na mijn vaders dood zat ik er regelmatig met mijn moeder en nu was ik terug met B en de kinderen; met mijn moeders as.

Het miezerde en het was daardoor erg rustig. We zaten even, turend over het veld. Verderop scholen de paarden onder een stokoude eik, geleidelijk hun interesse in ons verliezend.

Toen ik voelde dat het tijd was, groef ik een bescheiden kuil met het schepje dat B altijd voor de plantenbakken op ons Amsterdamse dakterras gebruikt. Uit de non-descripte tas die ik voor dit doel had meegenomen tilde ik de doos met Ines as en een stijfbevroren sluierstaartgoudvis in een plasticbakje.

Goldie was tot zijn overlijden een huisdier van onze kinderen, en had daarna meer dan een jaar in onze vriezer doorgebracht terwijl we wachtten op een goed moment om hem te begraven.

Door de wat meer heftige overlijdens in onze omgeving (mijn ouders, onze hond, B’s oma) was die plechtigheid steeds uitgesteld. Twee vliegen in één klap: omdat mijn moeder heel haar leven huisdieren had, vond ik het gepast om haar er eentje mee te geven in de dood.

Ik legde Goldie in de kuil en schudde de doos daarboven leeg – mijn moeders as leek sterk op zeezand, de bodem van een tropisch aquarium. Ik bedacht dat het alleen maar kon helpen dat we Ine en Goldie begroeven op hemelvaart, en stelde me voor hoe ze straks rond zou lopen in de dodenwereld, met een hondgrote goudvis zwemmend aan haar zij.

‘Het was goed om je in huis te hebben,’ zei ik, ‘maar nu is het tijd dat je verder gaat. Goldie gaat met je mee.’

Ik dichtte de kuil en de kinderen verzamelden bloemetjes voor oma, legden die op het nu ontstane minigraf. Daarna zaten we nog een paar minuten op het bankje van mijn ouders.

Ik stond als eerste op en merkte dat ik het niet moeilijk vond om weg te lopen, dat de plek die ik voor Ine bedacht had helemaal de juiste was en dat je met een hondgrote sluierstaartgoudvis nooit alleen kon zijn.

Touren met de band

Rob en Ivo waren al aan het einde van de middag in Bergen aangekomen en hadden zich vast in ons duinhuisje geïnstalleerd. Daarna fietsten ze naar een strandtent aan het noordeinde van het dorp, waar ze een mooie tafel bij het raam bemachtigden. Het is traditie dat we daar op de eerste avond eten.

Ik had nog langs een feestje in de stad gemoeten, maar rond halfacht parkeerde ik aan de duinrand en bleef een moment staan kijken naar de zee voordat ik afdaalde naar het paviljoen.

Er zijn foto’s van me als kleine jongen, staand aan de vloedlijn, mijn armen gespreid alsof ik probeer al dat water te omhelzen. Ik doe dat nu niet meer, maar het gevoel is er nog: weinig fijner dan de zee tegemoet lopen en te weten dat je nog een aantal dagen bij haar blijven kunt.

Weinig fijner ook, dan een restaurant in komen en je vrienden aan te treffen.

Om te voorkomen dat ik duur zou doen had Rob al wijn besteld. De zuidelijke viognier bleek een wat vette sorbet van framboos en peer, maar mijn maatje was erg tevreden over de prijs-kwaliteitverhouding. Door de lage zon werd het erg warm, achter ons raam. Ik deed mijn trui uit en kneep mijn ogen tot spleetjes tegen het felle licht.

Daarbuiten maakte de zee stevige golven; de laatste surfers van de dag dobberden er op hun plankjes tussen.

Toen Rinske was aangeschoven werden de komende dagen besproken: Ivo zou werken aan de eerste versie van zijn koloniale meisterstück, waarvoor de deadline akelig dichtbij kwam. Rob zou zijn nieuwe roman een paar stappen verder brengen en tussendoor wandelingen maken. Rins wilde weten of ik het boek waaraan zij werkte straks wél zou gaan lezen – het gaat erg dik worden en ik heb vaak kritiek op erg dikke boeken.

Zelf hoopte ik het eerste deel van een roman af te ronden – daar hoort de ontmoeting tussen mijn hoofdpersonen bij, die tot dusver in honderdzestig bladzijden alles hebben gedaan behálve elkaar ontmoeten. Personages dicteren vaak hun eigen tempo, je kunt daar als schrijver niet veel tegen doen.

Na het eten maakte ik een foto van mijn vrienden. Ik stelde het kader bij en fixte de kleuren, maar ook de foto verzette zich tegen mijn wensen, was onomstotelijk zichzelf. Rob zei dat het een coverfoto voor de ANWB-huisband was en dat klopte.

We dronken nog iets in het huisje, turend naar de vlammen in de haard. Onze gesprekken gaan altijd over wat mensen beweegt, hoe je dat het best beschrijft en hoe collega’s het beschrijven. Ik deed leestips op, een serie om te kijken als ik weer thuis ben in Amsterdam.

Om halftwaalf lag iedereen in bed met de afspraak om de volgende ochtend om acht uur met werken te beginnen. Ik sliep rampzalig; werd wakker om drie uur, daarna om vier uur, definitief om halfzes. Ik besloot maar op te staan en ging in de woonkamer aan de slag.

Rond halftien bleek dat mijn vrienden ons voornemen om vroeg te beginnen als grap hadden bedoeld. Toen ze beneden kwamen had ik al drie uur gewerkt, en hoewel er nog geen direct zicht op een ontmoeting tussen mijn personages was, voelde ik wél dat die nu naderde.

Ik schreef tien bladzijden voor de lunch, nog eens vier erna. Om drie uur hadden Rob en Rins een afspraak bij een Chinese massagesalon in Alkmaar – ze doen dat elke keer als we hier zitten – en voor het eerst mocht ik ook mee.

Alkmaar bleek niet lelijk; de massage pijnlijk maar niet zonder liefde. We deden boodschappen, reden terug naar zee. Rob was niet heel erg negatief over de Nigeriaanse dansmuziek die ik graag in de auto draai.

Thuis borrelden we kort, daarna kookte ik. Ik kreeg een filmpje van Ada (8) die vertelde dat ze me miste, en stuurde een video terug waarin mijn vrienden en ik haar groetjes deden. Daarna maakten we een wandeling.

Je kunt hier in de duinen lopen zonder enige bebouwing tegen te komen – je moet dan wel precies het juiste pad volgen, maar zo zit het nou eenmaal met de Nederlandse natuur.

Toen we bij een moerassig gebiedje kwamen waar witte stammen bijna fluoriserend oplichtten boven zwarte poelen, kwamen er drie wilde konikpaarden in het zicht. Ze liepen over het pad dat wij ook volgden, kwamen ons tegemoet.

We verplaatsen ons een eindje van het pad weg om de doorgang voor ze vrij te maken, maar kwamen daarmee kennelijk op de route van een ander konikpaard. De jonge hengst liep in een rechte lijn op ons af en het kwam totaal niet in me op om aan de kant te gaan. Hij was breed, krachtig, autonoom – ik kon mijn ogen niet van hem afhouden.

Hij week niet uit, versnelde zelfs zijn pas en hield me daarbij strak in de gaten.

‘Gil,’ riep Rob vanaf het taludje waar hij zich met Rinske had teruggetrokken. ‘Wat doe je? Ga aan de kant, gek.’

De hengst was wollig, groter dan ik had verwacht en totaal niet bang voor mij. Toen hij me tot op een paar meter genaderd was paste hij zijn koers minimaal aan en ging me in een paar tellen voorbij. Zijn kracht, zijn massa, de drang in zijn benen, schouders en hals. De grond trilde bij elke hoefslag. Ik draaide me om zodat ik naar hem kon blijven kijken, wilde niet dat hij ging en genoot er tegelijkertijd van dat ik op geen enkele manier macht over hem had.

Hij bleef me in de gaten houden tot hij zich had aangesloten bij de andere paarden. Pas daar, helemaal in de verte, wendde hij zich af.

Wat ik altijd miste in de Nederlandse natuur was het wezen van die natuur zelf. Onze fietspaden, lantaarnpalen, wegwijzers, vuilnisbakken en al die verschrikkelijke educatieve borden overal maken van elk duingebied een soort VR-bosatlas.

Nooit voelde ik me er zoals ik me in de wilde natuur zou moeten voelen: een buitenstaander, overgeleverd aan de wetten van een mij onbekende wereld. Die beleving kende ik alleen uit Amerika en Suriname.

Konikpaarden. Ik zeg het je.

Het was pikkedonker toen we op een kalm strand kwamen. De golven van de avond waren gaan liggen, maar in mij stak de behoefte om te rennen op, wat ik ook deed, achtjes makend om Rob en dan weer om Rinske en Ivo heen. In mijn laatste achtje kegelde ik Rob om, die daar niet heel boos van werd.

Thuisgekomen gingen we bijna meteen naar bed, waarop ik de hele nacht aaneengesloten sliep. Rinske maakte me om negen uur wakker omdat ze iets uit mijn kamer moest hebben. Ik rekte me uit, sjokte naar beneden en zette koffie voor mezelf, schoof achter mijn laptop bij het raam met uitzicht op de duinen.

Vandaag moest die ontmoeting er maar komen.

Terugkeren

Op de presentatie van zijn roman De handlezer mocht ik vriend Chris Polanen interviewen. Ik deed dat met plezier omdat Chris makkelijk praat en ik het boek al gelezen had. Als je iemands werk mooi vindt dan loopt zo’n gesprek vanzelf – dan hoef je eigenlijk geen vragen voor te bereiden. Toch doe ik dat altijd wél.

De grootste vraag die ik had was eigenlijk geen vraag: ik wilde gewoon zeggen dat ik jaloers ben op Suriname als land van oorsprong. Het mag geen geheim zijn dat ik veel van dat land houd, maar ik heb er geen wortels, mag geen aanspraak maken op heimwee naar Paramaribo, Commewijne, Flora en het binnenland.

Schrijven is het dichten van een afstand. Chris’ opgroeien gebeurde deels in Nederland en deels in Suriname. Hij reed paard over de stoffige straten van een Paramaribo dat nu niet meer bestaat en dat ik ook nooit heb leren kennen. Te kunnen terugverlangen naar geuren, kleuren, smaken; naar een volksaard die zo ongelooflijk anders is – dat te kunnen romantiseren en er dan al je boeken over schrijven.

Als er onder alle goede kunst een noodzaak zit, dan lijkt heimwee naar een andere plek en tijd me de vruchtbaarste en meest divers inzetbare vorm van noodzaak. Ik vroeg Chris of hij ooit over een andere plek zou schrijven en hij schudde heel beslist zijn hoofd.

Afgelopen zondag gaf ik een lezing in Brabant, vlakbij de geboorteplek van mijn vader en de straat waarin mijn moeder Ine als meisje heeft gewoond. In het publiek zat Marijke, een schoolvriendin van Ine, die ze een paar jaar voor haar dood in 2024 hervonden had.

Omdat ik net uit mijn lezing kwam herkende ik Marijke niet, maar ze glimlachte lief naar me en zei haar naam. Meteen stond ik op van het bureautje waar ik had zitten signeren om haar te omhelzen, een kus te geven. Mijn moeder vertelde niet veel over wat er in haar omging, maar ik weet dat deze vriendschap in haar tienerjaren heel belangrijk voor haar is geweest.

Aan het einde van de middag reed ik terug naar Amsterdam. De files die ik op de heenweg had gezien waren nu opgelost; ik zou ruim op tijd zijn voor het eten. Misschien had ik wel een halfuurtje over.

Bij de afslag Vught verliet ik de snelweg en volgde mijn geheugen naar de straat waar ik van mijn vijfde tot mijn negende gewoond heb. Het dorp leek zoveel groener nu; waarschijnlijk was ik ouder dan de meeste bomen langs de weg.

Ik heb altijd met lichte weerzin teruggedacht aan de nieuwbouwwijk waar we in de late jaren zeventig woonden: planmatig opgezet; sloten en vijvers die niet doorstroomden, die zuiver voor de esthetiek waren aangelegd. Namen als Baroniesingel en Hertoglaan voor de straten met vrijstaande huizen.

Nu ik er als man van eenenvijftig rondreed voelde ik opeens hoe hoopvol mijn ouders moesten zijn geweest – de levensfase waar ze toen in zaten. Een jong kind, een hond, een vrijstaand huis dat eigenlijk boven hun budget geweest was. Velden in de buurt, een bos om samen die hond in uit te laten.

Een vorm van liefde die ik heel goed ken: hoe het voelt om een plek te vinden waar je een toekomst voor je gezin ziet.

Ik stopte voor het huis op nummer 34. In de tijd dat wij er kwamen wonen was het heel modern, opgetrokken in grove grijze steen en donkere schrootjes. Boven herkende ik het raam van mijn oude kamer: de stalen sponningen met enkel glas waren vervangen door moderner materiaal, maar verder leek het onveranderd.

Ik wilde de bewoners niet ongemakkelijk maken en reed iets verder door, stopte ter hoogte van de oprit en opeens was het er: de helderste herinnering van op volle snelheid naar huis toe rennen, op de rand van tranen.

Een geschaafde knie, een jongetje dat lelijk tegen me gedaan had – de aanleiding bleef in het vage maar dat rennen allerminst: met vlammende longen de straat door, de bocht om en de oprit op, mijn armen afgeladen met een verdriet dat ik ternauwernood kon ophouden, voorbij die gele Volkswagen en de poort door naar de keuken en daarbinnen zat mijn moeder aan de tafel met nieuw tekenwerk, haar vingers zwart van het grafietpotlood dat ze liet vallen op het moment dat ze me zag – een jonge vrouw nog, een dertiger met een heldere oogopslag.

Gissie wat is er aan de hand?

Ik maakte een foto van de oprit en reed door al die groene straten terug naar de A2. Het dorp van mijn jeugd was onder me vandaan veranderd, en ten goede ook nog – toch had ik er iets teruggevonden.

Oaseman

Na drie dagen door Marokko te hebben gereisd over extreem droge vlaktes, langs rode, gele en zwarte rotsformaties, door dorpjes opgetrokken uit het stof waarop ze stonden en voorbij bergkammen waar nog sneeuw lag, daalden we weer langzaam af. Ons doel was de woestijn, waar B en de kinderen erg naar uitzagen.

Ik had al aangekondigd dat woestijnen saai zijn omdat er alleen maar zand te zien valt, maar mijn gezin was niet te vermurwen. Een dar tegen de grens met Mauretanië wachtte op ons, er zou daar ook een zwembadje zijn.

Ik wilde zeggen dat ik zoiets al helemaal belachelijk vond – wie zwom er nou in de woestijn – maar hield me in omdat ik last had van een dorst die maar niet over wilde gaan, hoeveel bronwater ik ook dronk. Alsof mijn huid vocht miste, iets wat niet met drinken te verzachten viel.

De Dacia Duster die ik – helemaal qua naam – altijd een belachelijk voertuig had gevonden, deed het ontzettend goed. Niemand was misselijk geworden en zelfs Ada hield het prima uit, tevreden om zich heen kijkend vanuit haar boosterzitje voorin. Toen de kabel van haar koptelefoon het begaf en ze geen luisterboekjes meer kon inzetten, speelden we eindeloos het alfabet-dierenspel.

‘Aap,’ zei Ada.

‘Je bent zelf een aap,’ zei ik.

‘Nee, nu moet jij een dier bedenken dat met een p begint.’

‘Poepende aap.’

‘Neehee.’

B, die voor het eerst in jaren weer kaartlezer was, koos wonderschone routes. Vandaag zouden we door een bijzondere en ietwat toeristische kloof rijden, maar vooralsnog was de weg voor ons tot aan de horizon verlaten. We staken een bergplateau over, werden bij elk gehucht achterna gerend door kinderen die deden alsof ze water wilden, maar wanneer je stopte om dat te geven om geld en snoep vroegen.

Aan het einde van het plateau begon de weg te dalen. Haarspeldbochten volgden, langs weer een nieuw soort geologisch wonder: bodemplaten met tientallen gesteentelagen erin die hemelhoog tegen elkaar op waren gestuwd. Het leek wel een andere planeet.

‘Het lijkt wel Mars of zo,’ zei Nadim vanaf de achterbank.

‘Vogelbekdier,’ zei Ada.

‘Rotgans,’ zei ik.

‘Alleen echte dieren,’ zei Aad.

De weg dook de beloofde kloof in en er was geen ruimte meer voor woorden. De hemel was niet meer te zien – aan weerszijden van de Duster rezen wanden van oranjerode steen op, zo machtig dat ze hun eigen zwaartekracht leken uit te oefenen. Ik moest mijn best doen om op de juiste weghelft te blijven.

Laat alle hoop varen, gij die hier binnentreedt,’ zei ik.

‘En dan te bedenken,’ zei B, ‘dat dit allemaal door water uitgesleten is.’

Ik keek links van de weg, waar een stroompje ter breedte van een Amsterdamse goot met ons op sukkelde.

‘No way,’ zei ik.

We passeerden een paar touringcars en busjes en besloten niet te stoppen, maar verder te gaan in de richting van het dal. Bij het verlaten van de kloof groeide het streepje lucht boven ons weer uit tot een hele hemel. Wat er tegelijk gebeurde is dat we een verbijsterende groene wereld in reden.

Voor het eerst begreep ik echt wat water voor de aarde betekent. Het aride maanlandschap waar we ons nu al drie dagen doorheen bewogen werd door dat ieniemieniestroompje getransformeerd tot een hortus botanicus van twintig voetbalvelden groot.

We reden nog iets verder, stapten uit en maakten een wandeling in al die groenheid, die werd doorkruist door slootjes, met hier en daar een plat stuk steen erin om de toevoer van water goed over de kostgrondjes te verdelen. Tarwe, aardappelen, tuinbonen, doperwten, biet, sla, wortelen, rozen, bramen, courgettes, pompoen, tomaat.

Een bizarre rijkdom, zó vruchtbaar en barstend van het leven dat de tranen in mijn ogen sprongen. Een reiziger die hier vijfhonderd jaar geleden aankwam moest denken dat hij in de hemel was beland, en eigenlijk dacht ik dat ook.

Er waren insecten. Vogels zongen. Er zwommen visjes in de sloot.

Toen we een plek voor de nacht hadden gevonden en wat aten met uitzicht op al dat groen, vroeg B wat ik van de bergen had gevonden.

‘Ongelooflijk mooi,’ zei ik. ‘Nog veel mooier dan ik had verwacht.’

‘Ik zou nog wel eens terug willen om te wandelen.’

Kleine vleermuizen maakten duikvluchten boven het terras, dat aan al die weelde grensde.

‘Zeker,’ zei ik. ‘Maar ik blijk vooral oaseman te zijn.’

Onderweg

Bij de verhuur op het vliegveld van Casablanca haalde ik een stoffige Dacia Duster op. Het was nacht, er was vertraging geweest, maar de meneer met het geduldige gezicht had gewacht tot iedereen door de douane was en ik mijn bestelde wagentje kwam halen.

‘Vous êtes le dernier,’ zei hij met een glimlach.

‘Het spijt me,’ zei ik.

‘Ach.’

Ik pikte mijn gezin op bij de aankomsthal en we reden de Arabische donkerte in, op goed geluk naar het westen en daarna voor de grote stad begon naar links, om de kustweg af te dalen naar El Jadida. Het was een lange dag geweest, maar niemand viel in slaap. B appte de dame die ons in het huis moest laten.

In een stoffig straatje van de oude Portugese stad liep onze weg dood. Maps wist het niet meer; het opgegeven adres was ergens in de buurt, maar om nou overal op deuren te gaan kloppen. Ik zette de auto aan de kant voor een verlaten politiebureau en stapte uit, leunde tegen de motorkap, wachtend op Salwa.

Salwa kwam, stapte in en reed met ons de laatste meters. Ons huis lag aan een pleintje dat me aan een Venetiaans pleintje deed denken, aan het kleine appartement dat daaraan lag en waar we zo gelukkig zijn geweest. Binnen een halfuur sliep iedereen, maar vóór het eerste licht werd ik door een nabije muezzin gewekt.

Ik overwoog mijn slippers aan te doen en naar de moskee te lopen, mijn handen, voeten en gezicht te wassen en aan te sluiten voor het gebed. Ik besloot dat het te vroeg was, dat ik geen moslim ben en – ongeacht de stroming – steeds minder begrip heb voor dat hele religieuze gedoe.

We zouden een paar dagen in El Jadida blijven om daarna door te trekken, met een boog de Atlas over, waarvan de witte pieken me al acht jaar riepen. Ik wreef in mijn ogen, stond op, liep naar het dak en keek vandaar uit over de oceaan, de stad. De bergen wachtten op me in het zuidoosten, achter de bolling van de aarde.

Een rijtje spreeuwen op een dakrand verderop schudde hun veren en stemmen los. Brommergeluiden, deden ze, piepjes van achteruitrijdende vrachtwagens, de muezzin die ik net gehoord had. Ik vroeg me af wat voor geluiden spreeuwen maakten als er niets was om na te doen – of ze ook een eigen geluid hadden.

Ik las de eerste bladzijden van Paul Murrays eerste boek en bleef een tijdje lezen. Toen het licht geworden was daalde ik af en pakte de huissleutels, liep de stad in op zoek naar brood en fruit. Ik dronk een Nescafé met melk bij het enige cafeetje dat open was en keek om me heen. Het rook naar oude vis, naar slachterij, naar kip en kattenpis. Een mevrouw achter een kar verkocht warme gistpannenkoeken, waarvan ik een stapeltje oppikte.

Met warm brood voor je gezin over straat te lopen in een stad die nieuw voor je is, die net ontwaakt.

Onderweg naar huis groette ik iedereen die me tegemoet kwam en iedereen groette terug. Ik moest een beetje huilen van geluk. Ada (8) vond de pannenkoeken vies. Er was nog geen koffie in huis. B had last van haar keel en dacht dat ze misschien ziek ging worden. Onze tienerzoon wilde niet opstaan.

Maar ik zette de straatdeur open en kreeg bijna meteen bezoek van twee zwerfkatten. Een ervan bleek kittens te hebben. Ada schudde haar broer wakker en ging met hem het pleintje op om al die wolligheid te aaien en daar hoge geluidjes bij te maken. Straks zouden we de stad verkennen, langs de oceaan wandelen, ergens een tajine gaan eten.

Voor het eerst in lange tijd haalde ik me op aan het begin van dingen.