Wachten op Boris

De ramen staan tegen elkaar open om de avondwarmte in beweging te houden. Aan de keukentafel wacht ik op Boris, terwijl ergens op de Lindengracht een terrasbandje voor de derde keer Garota d’Ipanema speelt. Otis de hond, wiens gehoor veel beter is dan het mijne, kreunt in zijn mand. 

Het is langzaam donker aan het worden en omdat ik geen licht heb aangedaan, sluit de avond zich als een net rond het schermpje van mijn laptop. Zoals zo vaak vind ik het jammer dat ik niet meer rook.  

Vroeger wachtte ik samen met Arie en Gijs op Boris, maar vanavond wacht ik alleen. Dat is omdat Arie North Sea Jazz aan het opnemen is voor zijn werk, en omdat Gijs dood is.

Tot twee keer toe denk ik Boris in mijn ooghoek te zien aankomen: een lange man met elpeezwart haar, een grote neus en mond. Boris’ mond is beroemd, omdat hij er een vaasje bier in kan laten zakken (bodem eerst) en zijn lippen rond de rand van het glas kan sluiten zonder te morsen.

Als er uiteindelijk wordt aangeklopt schrik ik. Ik sla mijn laptop dicht en graai mijn tas van de leuning van mijn stoel; stuiter met Otis op mijn hielen de trap af.

Ik hou van dat moment vlak voor het opendoen. Als je al weet dat je vriend er zal staan, zijn fietssleutels in zijn hand. Ook mannen van veertig halen je thuis op alsof ze eerst aan je moeder moeten vragen of je mee mag. Bij voor de deur staan hoort een kwetsbaarheid die voortkomt uit jarenlang hopen dat je vriendje thuis zal zijn. Met de komst van het kindermobieltje zal dat allemaal anders zijn geworden. 

Ik krijg een zoen van Boris, en dan lopen we samen de Lindengracht op. Het is fijn om een vriend te hebben die langer is dan ik. Zo hoop ik ook dat Nadim langer dan ik zal worden. Ik moet nog bedenken waarom ik dat eigenlijk vind en hoop. Als Boris vraagt hoe het me me gaat, zeg ik wat we sinds Gijs’ dood altijd tegen elkaar zeggen.

‘Oh. Oké. Jij?’

‘Oké.’ Boris haalt zijn schouders op en veegt zijn haar uit zijn gezicht, dat meteen weer terugvalt. ‘Het is alsof overal een grijze deken overheen ligt.’

We komen langs Toscanini, waar we handen geven en vragen hoe het met mensen gaat. Dan lopen we verder, langs drukke café’s waar we vroeger druk kwamen doen. Langs oudemannencafé’s waar we nog niet heen willen. Uiteindelijk wordt het Papeneiland, misschien omdat we er niemand kennen. 

Boris haalt bier. We staan buiten en proosten op niets. Otis de hond rolt zich midden op straat op tot een lage zwart-witte poef en valt in slaap. Taxi’s en fietsen rijden in een boogje om hem heen. Er zijn mooie meisjes met weinig aan, en we kijken wel, maar het is meer professionele interesse. Ik vertel Boris dat ik mijn eigen leven vaak niet herken. Dat het wel op mijn eigen leven lijkt, maar op een aantal fronten niet meer klopt. 

‘Truman Show’, zegt Boris. 

‘Ja’, zeg ik.

Ik pak Otis op en verleg hem een paar meter. Mensen lachen. 

‘Zullen we nog even ergens anders een biertje drinken?’ vraag ik. Boris vindt het goed. Hij brengt onze glazen naar binnen en dan lopen we de Prinsengracht op, mijn vriend en ik, om te gaan zien hoe de nacht ons opvangt. 

De rouille et d’os

Birre en ik gingen voor het eerst naar de film. We waren al voor het eerst uit eten geweest en voor het eerst naar een feestje, maar sinds de geboorte van Nadim was de bioscoop nog niet gelukt. De babysit kwam op tijd, Birre sprong (na een ellenlange uitleg over alles) veel te laat achterop, en weg waren we: een stelletje op een omafiets, alsof er niets aan de hand was.

Een beetje onwennig ging het wel. Zo was Birre angstig achterop, en bleef ze in de rij voor de kassa steeds haar telefoon checken. Ik maakte me veel minder druk. De mijne stond op trillen, dus als de babysit me nodig had dan zou ik het vanzelf voelen. Achter Birres rug controleerde ik alleen een keer of drie of mijn batterij niet in het rood stond. 

Ik was vergeten dat Birre altijd wil overleggen over waar we gaan zitten. Dat hele ongeplaceerde vind ik een vergissing van die filmhuizen. Je moet de mensen niet teveel keus geven. Dat gaat altijd mis, en uiteindelijk staat iedereen dan in het gangpad het beslissingsproces van zijn vrouw af te wachten terwijl de trailers al beginnen. Ik had lang genoeg op vrouwen en baby’s gewacht, koos een rij met twee vrije stoelen en ging zitten. Birre volgde maar.

De film was De rouille et d’os

Twee uur later, toen de aftiteling het plafond in scrollde en de mensen op begonnen te staan, bleven Birre en ik verpletterd aan onze stoelen plakken. Ik ga er niet teveel over vertellen, maar er zijn scènes met kleine blonde jongens die onder het ijs verdwijnen en vaders met bebloede vuisten, die pas op het allerlaatst ‘Ik hou van je’ zeggen. En elke fucking scène is helemaal fucking raak.

‘Jeezes’, zei ik.

‘Ja.’

In stilte fietsten we terug, en ik merkte dat Birre niet bang meer was terwijl ik de vele slingerende tramsporen van het Limburg Stirumplein kruiste. Hoe kon ze ook, na wat we net mee hadden gemaakt? Eigenlijk had ik een bergtop nodig, een eenzame plek met eindeloos uitzicht, om De rouille et d’os eens rustig te verwerken, maar toen we onze straat in reden kwam boven alle stadsgeluid één enkel heel hoog jengelstemmetje uit. Misschien gingen we weer een slapeloze nacht in met zijn drieën. Misschien zouden we wel nooit meer slapen.

Ach, dacht ik terwijl ik de fiets op slot zette. Uiteindelijk is het goed te doen.  

Mannenavond

Het was mannenavond. Samen met Otis de Hond wachtte ik op Arie en Boris. Zoals altijd waren we te vroeg in het café. Ik bestelde een kopstoot en goot wat bier op een schoteltje voor Otis. Het bier ging snel op omdat we dorstige mannen waren, en het was goed om vroeg te zijn. Zo konden we nog even in stilte naast elkaar zitten. 
 
Een groepje toeristen kwam binnen en wilde weten wat er van de tap was. Toen de barman al zijn speciaalbieren had opgesomd bestelde het Heineken, wat er niet was, om te eindigen met een fluitje Amstel. Otis likte zijn schoteltje nog eens af. Ik nipte jenever, keek naar het drankenbord en vroeg me af waarom je jenever met een g zou schrijven. Je schreef toch ook niet geneverbes?  
 
Een van de toeristen, een vrouw van een jaar of dertig, liet haar oog op Otis vallen en maakte de geluiden die Amerikaanse vrouwen maken als ze knappe honden zien. Otis ging verzitten en keek om zich heen. Met een beetje goeie wil zou hij wel onder mijn stoel passen. De vrouw zette haar doodgeslagen bier neer en liep onze kant op.
 
‘Oot’, zei ik. ‘Blijf.’
 
Otis draaide een rondje op zijn stoel en probeerde zijn kop zo ver mogelijk onder tafel te krijgen, maar het was te laat.
 
‘OH. MY. GOD’, zei de vrouw. ‘I just LOVE your dog. What’s her name?’
 
‘His name’s…’
 
‘Can I pet her?’
 
‘I wouldn’t do that, if I were…’
 
‘Oh, you are just the CUTEST thing, aren’t you girl?’
 
‘Actually, he’s…’
 
Ik weet dat we er teveel in lezen, in het gedrag van onze huisdieren. Het zit natuurlijk allemaal tussen mensenoren, maar wat mij betreft was er niets mis te verstaan aan de blik die Otis de Hond me toewierp: de blik van de jongen die met het lelijke meisje moet, omdat zijn maat een oogje op haar mooie vriendin heeft. De mooie vriendin in kwestie was een veertiger die Arie heette, en net binnenkwam. Buiten zag ik Boris zijn fiets vastmaken. Otis sprong blaffend van zijn stoel, omzeilde de grijpende handen van de Amerikaanse en kegelde Arie bijna weer het café uit.
 
‘Wat zit jij daar te drinken?’ zei Arie. Ik kreeg een kus.
 
‘Een kopstoot.’
 
‘Alcoholist.’
 
Ik knikte. ‘Wil je ook?’
 
‘Bruine rum met ginger ale voor ome Arie. Misschien doet die lange wel met je mee.’
 
De Amerikaanse liep terug naar haar vrienden om vandaar naar Otis te loeren. Ik pakte zijn stoel beet en draaide hem met zijn rug naar haar toe. Weer kon er geen twijfel over zijn blik bestaan: nu was het pas écht mannenavond, en Otis de Hond was – in ieder geval voorlopig – gered. 

I love you, Eva

Het is heel erg vroeg en iedereen slaapt behalve ik. Aan de keukentafel rijg ik zinnen aan elkaar voor mijn nieuwe bundel, die Een been om op te staan moet heten. Dat kan ik hier best opschrijven, omdat al mijn titels tot dusver werktitels zijn gebleken. 

De laatste jaren ben ik het nodig gaan hebben om te schrijven. Ik voel me het meest op mijn plek als ik werk, en alleen na een tweetal goede bladzijden kan ik de rest van de dag tevreden doorlopen.

Ernest Hemingway schreef (volgens mij in A Moveable Feast) dat hij elke dag stopte met schrijven als hij nog momentum had. Hij vond dat je nooit moest doorwerken tot je leeg was, maar iets moest overlaten om de volgende dag mee te beginnen. Ik merk dat ik hetzelfde doe (en verder durf ik me niet met Hem te vergelijken).

De hoofdpersoon van het verhaal waaraan ik nu werk, is een zwakbegaafd meisje met een plan. Ik zag haar in een eerder verhaal voorbijkomen, en werd er steeds zekerder van dat zij, Eva, als volgende zou beginnen te praten. Ik weet dat het voor veel mensen belachelijk klinkt, maar in mijn beleving vertelt Eva haar verhaal zélf. Maar heel zelden gebeurt het dat ik een personage bewust een bepaalde kant op stuur. Ik kijk door Eva’s ogen en beschrijf wat ze ziet in haar eigen woorden. Zo ontstaat haar wereld, haar verhaal. 

Afgelopen woensdag schreef Hassan Bahara in de Groene Amsterdammer een heerlijke recensie over Hier sneeuwt het nooit, die hij Alles is liefde kopte. De grote lijn van zijn stuk is dat ik teveel van mijn personages houd om ze iets vreselijks te laten overkomen. Natuurlijk kan ik drie verhalen in mijn debuut aanvoeren waar dat juist wél gebeurt, maar daar gaat het even niet om. Ik kan namelijk niet ontkennen dat ik (op de radio en dus onomkeerbaar) heb gezegd dat ik het heel leuk zou vinden als mijn personages op mijn verjaardag kwamen. 

Zo houd ik mijn hart vast voor Eva: ze ziet het hele plaatje niet, en haar plan zou haar best eens boven het hoofd kunnen groeien. We zullen moeten afwachten, Eva en ik, en op het beste hopen. Vandaag stop ik met werken als ze op haar geheime plek in het suikerrietveld wacht op Leo de monteur. Eva en ik zijn hoopvol, maar het riet is droog, en ik weet niet of ze haar kaarsen goed genoeg heeft vastgezet in de dorre grond. Toen Eva met haar koffertje het riet in liep, liet ze een spoor van omgetrokken stengels achter, dat iedereen zou kunnen volgen. 

De vogels beginnen te fluiten als ik op command+s druk. Hemingway zei dat je bij het niet-schrijven nooit aan je verhaal moest denken. Dan alleen kon je de volgende dag ongehinderd door allerlei vooropgezette constructies de draad oppakken. Ik ga daar erg mijn best op doen, maar kan niets beloven.  

Sander Kollaard

Sander Kollaard was langs. Ik weet niet waarom ik Sander Kollaard altijd Sander Kollaard noem en niet gewoon Sander. Birre doet het ook. Misschien omdat we hem als schrijver van Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde kenden voordat we hem leerden kennen als Sander (Kollaard).

Ik wist niet hoezeer ik het nodig had eens met iemand te praten die de laatste twee jaar bijna hetzelfde meegemaakt heeft, tot Sander Kollaard aanschoof aan onze eettafel en meteen losbarstte over de bijzondere afdeling van de hel die literaire kritiek heet. 

Sander Kollaard en ik praatten over overleden beste vrienden (ieder één), over Italië (houden we van), en over wonen in Scandinavië (ik deed het en hij doet het nog steeds). Wat me het meest bijstaat is ons gesprek over de ontroering.

We dronken bier en hadden het over geraakt worden door kleine dingen. Over momenten die je heel erg wilt kunnen bewaren. Sommige mensen houden die momenten vast door er boeken aan te wijden (zie: Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde). 

Zoals F. Alice Johnson schreef in haar meesterwerk My Front Door: “Happiness is a period in one’s life when a feeling of being blessed occurred often enough to – in retrospect – appear omnipresent.” 

F. Alice zei “blessed” omdat ze Amerikaanse was, maar toch begrijp ik het wel. Er zit iets van dankbaarheid aan die ontroering vast. Ik ervaar hetzelfde als ik na lange tijd weer in Castello (Venetië) aankom, of als ik Birre zie thuiskomen van haar werk. Als ons zoontje Nadim hardop lacht, merk ik het ook. En als er een streepje zon precies over mijn krant valt in de vroege ochtend van een koude dag. Eigenlijk overkomt het me bijna dagelijks.

Misschien zal ik over een tijdje moeten concluderen dat ik nu heel erg gelukkig was. 

 

Jordaanvader

Hiske Versprille wachtte op me op het terras van een café op de Lindengracht, waar we samen wat gerechtjes voor een catering zouden bedenken. Ik was te laat omdat Nadim zijn Snoopysokken niet aan had gewild. Ikzelf droeg een Hema T-shirt (omdat ik de Hemaprijs voor witte T-shirts de enige acceptabele prijs voor witte T-shirts vind) en een Levi’s spijkerbroek uit San Francisco, die ik gekocht had omdat mijn oude Levi’s niet meer lekker zaten. Ik droeg teenslippers uit Paramaribo, die ik voor 12 SRD (3 euro 50) bij een winkel op de Dr. Sophie Redmondstraat gehaald had, en waarvan ik nooit afstand zal kunnen doen. Omdat ik niet graag naar de kapper ga en onze douche al een half jaar lekt, stond mijn haar als een wollige motorhelm om mijn hoofd.

De bovenstaande paragraaf is de laatste die ik ooit zal wijden aan mijn eigen uiterlijk. Ik vind mode een belachelijk iets om mee bezig te zijn, en hoe ik eruitzie berust ten allen tijde op een samenloop van omstandigheden. 

Ik verontschuldigde me niet voor mijn te laat zijn omdat het tenslotte mijn schuld niet was, ging zitten en bestelde wat te drinken voor ons. Hiske glimlachte naar Nadim en sloeg een notitieblokje open. Ze klikte haar pen open en dicht. Toen zei ze: ‘Je ziet eruit als een echte Jordaanvader.’ 

U moet weten dat ik Hiske Versprille heb leren kennen als een behoorlijk scherp observator (zie bijvoorbeeld haar stukken in het Parool en op de site Hard Hoofd). Ieder ander had ik om die opmerking een eikel genoemd en tegen zijn enkel geschopt, maar omdat het Hiske was, besloot ik haar woorden even te parkeren om er later nog eens rustig over na te denken. Later is nu. 

Er zijn twee mogelijke uitgangspunten: 1) Ik zie er echt uit als een Jordaanvader en ben er dus ook een; 2) Ik ben een absoluut uniek individu, dat weliswaar in een bepaalde context leeft (de Jordaan) en ook nageslacht heeft en ook mannelijk is, maar dat eruitziet als geen enkel ander individu (en zéker geen genre). 

Het antwoord ligt meteen voor de hand. Uitgangspunt 1 kan niet anders dan het juiste zijn. Maar hoe? Wat aan mij, behalve mijn slonzigheid en het feit dat ik een kind bij me had, maakte me specifiek Jordaanvader? Andere vaders in mijn buurt kan ik alleen betrappen op dezelfde zonnebril (Persol, mijn enige prijzige accessoire). Is de mal voor Jordaanvaders dan zo breed dat hij bijna alle kledingstijlen omvat? Wat maakt de mannengroep waartoe ik kennelijk behoor dan zo overduidelijk Jordaanvaders? 

Na een boterham met pindakaas en een espresso begon me iets te dagen. Had het niet met afstand te maken? Als mijn oudtante vroeger een zwarte man zag lopen dan zei ze: ‘Kijk, een neger.’ (Eindhoven, 1978). Als een zwarte oudtante dezelfde zwarte man zag lopen, dan had ze waarschijnlijk ‘Hoi Rudolf’ tegen hem gezegd. Was mijn Jordaanvaderschap niet het gevolg van hoe oppervlakkig Hiske me op dit moment nog kende? 

Ja, besloot ik. Dat moest het zijn. Ik zou ervoor zorgen dat Hiske me beter leerde kennen, en daardoor zou ik de brede mal van Jordaanvaderschap overstijgen, om voortaan te worden beschreven als schrijvende huisvader (op Surinaamse slippers). En als het me gegund was, dan zou ik zulke goede vrienden met Hiske worden dat ze uiteindelijk (als we onze vijftigste verjaardagen samen vierden) in haar toespraak zou zeggen: ‘Gilles, jij bent echt volstrekt uniek. Je ziet eruit als geen enkel ander individu.’

Pressure drop

Afgelopen zondag, midden op de Prinsengracht, viel me iets vreselijks in. Iets echt afgrijselijks. Ik durfde – of zal ik dorst gebruiken? Nee, mensen die dat nu nog schrijven doen het expres en zijn dus eikels. Ik ben eigenlijk al een eikel omdat ik het overweeg – ik durfde het dus bijna niet tegen Birre te zeggen. Bijna.

‘Weet je’, zei ik. ‘Wat ik net bedenk?’

Het duurde even voor Birre opkeek, omdat ze net Ozewiezewozewiezewallakristalla voor Nadim aan het zingen was, die op de rand van slaap hing. Na een laatste up-tempo zewiezewies-wies-wies! sloeg mijn vrouw haar ogen op om aan te geven dat ik aan de beurt was. 

‘Ik weet niet meer wanneer ik voor het laatst niets gedaan heb, zonder daardoor meteen ook iets niet te doen’, zei ik.

Birre stopte met lopen. Ze keek me aan en knipperde met haar ogen, die groot en blauw waren. ‘Jij bent zeker schrijver?’

‘Toevallig wel.’ 

‘Mooi gevonden, hoor.’

‘Dank je. Maar is het niet vreselijk?’

Behendig wipte ze Nadims kar een stoepje op. Er volgde een kleine slalom waarbij een fietser, een hond – niet Otis – en een tweetal paaltjes moesten worden ontweken. Onze zoon sliep en bleef slapen. Toen we weer naast elkaar konden lopen, haalde ze haar schouders op. ‘Misschien is dat gewoon even zo.’

‘Hoezo is dat gewoon even zo? Wat nou als het nooit meer overgaat? Dat is toch heel erg erg?’

‘Erg erg?’

Een man in een rolstoel moest erdoor. We stapten uit elkaar. We stapten weer naast elkaar. Een belachelijk klein wolkje hing in zijn eentje boven de Elandsgracht. Misschien, dacht ik, moet ik iets met Mindfulness doen. Maar Mindfulness was zo middle management, zo Lease Plan. Woody Allen was ook niet Mindful. Je moest van huis uit al een beetje simpel zijn om het écht goed te kunnen. Opeens werd ik een beetje misselijk van het woord. Mijn handen voelden klam. Wat nou als het maar door en door ging, met dat denken van me. Als het nooit meer op zou houden?

‘Ik denk dat ik een paniekaanval ga krijgen’, zei ik.

‘Lul niet’, zei Birre. ‘Jij hébt geen paniekaanvallen.’

En dat was ook weer zo. We staken de Elandsgracht over. Het viel me op dat het belachelijk kleine wolkje ons volgde. Steeds als ik omhoog keek was het er, kiekeboe spelend vanachter de daken van de huizen aan de Prinsengracht. Misschien moest ik gelovig worden, dan kon ik denken dat God (wiens naam ik dan ook met een hoofdletter zou schrijven, wat heel vet was) me altijd en overal zag. God zou me rust geven. Ik zou om kunnen gaan met de dood van vrienden, die van mijn ouders en van Birre en mezelf. Zelfs de dood van Otis de Hond over een jaar of tien zou wel te doen zijn als ik God had. Ik keek naar het einde van de riem in mijn rechterhand, en daar was mijn hondje, blij als altijd.

‘Ik moet je waarschuwen’, zei ik tegen Birre. ‘Het kan zijn dat ik op iets latere leeftijd een heel naïef geloof zal moeten aanhangen. Gewoon om ermee om te gaan dat alles maar doodgaat en zo.’

‘Kijk nou eens’, zei ze. ‘Hoe lekker ons mannetje slaapt.’

En ik keek. En het was zo. En het was maar goed dat Nadim mij had, die er zo lang mogelijk voor zou zorgen dat hij niets – of maar één ding tegelijk – zou hoeven doen. En als dat betekende dat mijn eigen nietsdoen voorgoed voorbij zou zijn… Ach. Later, wachtend op het oordeel van mijn vrij recente God, zou ik kunnen zeggen dat ik tenminste één ding goed gedaan had.   

Leren, lezen

 

 

 

 

 

 

In mijn hoekje van de bank las ik de laatste regels van Gustaaf Peeks Ik was Amerika. Ik sloeg het boek dicht en liet mijn handen op de kaft rusten, die plakte aan de kringels op mijn vingers. Daaronder gonsden de duizenden opgestapelde zinnen nog na. Ik wist dat het er duizenden waren omdat ik ze één voor één gelezen had.  

‘Kut’, zei ik.

Birre trok haar benen op en liet Arjen Lubachs Magnus zakken.

‘Cijfer?’

Zonder na te denken zei ik: ‘Tien.’

‘Echt?’

Ik knikte. ‘Het is een geweldig boek. Net toen ik dacht: Dat einde is een beetje een anticlimax, als hij zijn vriend eindelijk vindt, toen vond ik het óók meteen zoveel mooier dan dat het een echte climax was geweest, omdat het zoveel échter is dat het loopt zoals het nu loopt…’

‘Gil.’

‘Wat?’

‘Ik moet ‘m nog lezen.’

‘O. Oké. Sorry.’

Ze legde Magnus neer en liet haar voeten over de rand van de bank zakken, waar ze blind als mollen de openingen van haar sloffen vonden. Op weg naar de wc vroeg ze: ‘Nummer hoeveel was dit nou?’

‘Dertien, denk ik.’

‘Heb je ’t wel opgeschreven?’

Birre is een fervent lijstjesmaakster. Als klein kind schreef ze al schriften vol toptienen van al het denkbare. Het mag dan ook geen wonder heten dat het Gillesch Nederlandsch Leeschoffensief haar idee was.

Zolang ik me herinner las ik uitsluitend Amerikaanse en Engelse fictie. In het Engels. Al op de Schrijversvakschool leverde dit problemen op, maar toen ik begon met publiceren werd het alleen maar erger. Je moet toch op zijn minst een drietal Nederlandse Helden hebben, als Nederlandse schrijver? Ik wilde niet worden zoals onze groentenman Wim, die bij bijna al zijn groenten kan toelichten dat hij ze zelf nooit eten zou.

‘Daar moet je wat aan doen’, had Birre gezegd.

Maar ik dacht dat ik in het Nederlands niet kon vinden waar ik het meest van hield. Dat mijn soort verhalen hier niet bestonden.

‘Dat kan niet’, zei Birre. ‘En je zal het ook nooit weten als je het niet probeert.’

Ik wilde daar graag iets tegenin brengen, maar niet alleen heeft Birre bijna altijd gelijk, ze wéét het als ik weet dat ze gelijk heeft.

‘Goed’, zei ik. ‘Wat stel je voor?’

‘Ik stel voor dat de komende twintig boeken die je leest Nederlandse zijn.’

‘Allemaal? Je bedoelt een soort Nederlandsch Leeschoffensief?’

‘Ja. Waarom slis je?’

Op dit moment lees ik boek nummer 14: Jan van Akens Het fluwelen labyrint. Tot nog toe is het gemiddelde van de cijfers die ik uitdeelde als indicatie van mijn leesplezier een 7,1. De laagste score was een 2,5 en de hoogste punten gingen dus naar Gustaaf Peek. Verder zal ik geen namen noemen, omdat wij schrijvers al genoeg lijden onder mensen die cijfers aan hun eigen smaak verbinden. Het moge in ieder geval duidelijk zijn dat het Nederlandse boek – met nog 6 stuks te gaan – vér boven mijn verwachting zal gaan scoren. 

Dingen maken

Mijn catering van afgelopen zaterdag was een private dining. Het verschil is dat je bij private dining voor de mensen gaat koken met hun eigen pannen, waarover ze altijd van tevoren waarschuwen dat die niets voorstellen. Om er zeker van te zijn dat je ter plekke toch een mooi visje kunt bakken, sleep je dan je zware pannen mee, en zo kom je uiteindelijk hijgend aan in een keuken waar de meeste professionele koks alleen van kunnen dromen. Het begint erop te lijken dat mensen die aan private dining doen hun keukens met het oog daarop outilleren.

Meestal kom ik rond een uur of drie met mijn boodschappen aanzetten om de keuken te verkennen, alle laatjes open en dicht te doen en ruimte te maken in de koelkast. Dan vind ik het espresso-apparaat (iedereen die private dinet heeft er een), zet een Nespresso voor mezelf bij gebrek aan anything else en ga aan de slag.

Een kok die in je moeders keuken staat moet een magisch iets zijn. Er moet een onweerstaanbare aantrekkingskracht vanuit gaan. Op geen andere manier kan ik verklaren hoe kinderen tussen de leeftijden twee en dertien het opbrengen om een hele dag lang elke twee minuten naar iemand te komen kijken die bijvoorbeeld uien fruit, en vragen te stellen als:

Is dat mes heel scherp?

Ben jij wel een hele goeie kok?

Is die pan heel heet?

Ooo, mag jij dat wel zeggen?

Naarmate de dag vordert worden steeds meer kinderen uit de steeds wijdere omgeving gewaar (het moet een soort sonar zijn) dat er in het huis op nummer 3 een heuse kok te zien valt, en zo’n beetje op het drukst van je mis en place staat er een leger dreumessen aan het aanrecht geplakt, dat met hun tere witte anemoonvingertjes steeds dichter bij precies de heetste pannen kruipt. Deze fase in de voorbereiding is meestal ook de fase waarin de kok-aan-huis ontdekt wat hij vergeten is.

Er is altijd iets vergeten. Zaterdag was het de sepia.

Het was de schuld van Jacob, van viskraam Schilder op de Albert Cuijp. Dat is die vaste kraam, die stalen kar in het midden, waar het altijd zo druk is. Jacob is die kale met dat ringbaardje. Ik veegde een rits anemoonvingers van het aanrecht, sloot mijn ogen, en telde tot tien.

‘Jacob’, zei ik. ‘Lul.’

Ik was in Loenen. De visboer daar zou niet weten wat sepia was. Eventuele vongole zouden vrijwel zeker uit de vriezer komen. Er zou – door mij – moeten worden geïmproviseerd.

Inmiddels ben ik niet meer bang voor improvisatie, omdat ik geleerd heb dat daardoor de beste gerechten ontstaan. Als ik mijn zeekat had gehad, dan zou ik fluitend linguine al nero di sepia gemaakt hebben, maar nu zou ik niet in staat zijn de materie naar mijn voorgenomen hand te zetten. Ik zou heel goed moeten blijven denken, zoeken, proeven. Gebruikmaken van wat ik kon vinden. Ik zou aandachtig moeten volgen wat er in mijn pan gebeurde, zodat ik daarop kon reageren, en zoals zo vaak als ik iets aandacht en liefde gaf, zou ik uiteindelijk breed grijnzen om het eindresultaat.

Ik groef in mijn tas en vond een homp botarga en een bol knoflook. De heer des huizes – die eigenlijk alleen maar een biertje uit zijn koelkast kwam halen – zond ik erop uit om tomaten te scoren, wat hij onverwijld deed omdat hij een goeie gozer was en omdat zijn dochter van twaalf het weigerde te doen.

Iets moois maken is wat mij betreft veertig procent controle en zestig procent vrijheid. Iets laten groeien, en alleen bijsturen als het de verkeerde kant op dreigt te gaan. In de interviews waaraan ik sinds Hier sneeuwt het nooit ben onderworpen, zeg ik steeds hetzelfde, maar niemand lijkt het op te pikken. De mensen gaan er vanuit dat ik mijn verhalen bedacht heb; woordje voor woordje in elkaar heb gezet. Kees ’t Hart vroeg me naar de maatschappijkritiek die hij erin meende te zien. Arie Storm vond mijn werk te geconstrueerd. Ik begrijp daar niets van, omdat ik zo niet werk.

Toen ik afscheid nam van de familie waar ik een hele zaterdag een beetje bijgehoord had, kwam de vader naar me toe. Hij leek me niet kwalijk te nemen dat ik hem die middag op pad gestuurd had. Hij legde zelfs een hand op mijn schouder.

‘Ik vond alles lekker’, zei hij. ‘Maar die pasta met tomaatjes en botarga…’

Tenminste iemand die het begrijpt, dacht ik, terwijl ik mijn ongebruikte pannen terug in de auto zette

Woezel en Pip

Het begon vanochtend, toen ik met Nadim op Youtube filmpjes van Woezel en Pip aan het kijken was. In een van de filmpjes ontdekte Pip dat alles aan hem opeens veel groter leek. Gelukkig kon zijn beste vriend Woezel hem eraan herinneren dat hij jarig was, en hem een extra grote verjaardagsknuffel geven.

‘Dáárom is het’, zei Pip. ‘Dáárom ben ik groter geworden.’

‘Birre’, zei ik.

Achter me, in de keuken, sputterden onze eitjes in Birres pan. ‘Wat, lief?’

‘Ik zit te janken bij Woezel en Pip.’

Birre schoof de pan aan de kant en kwam me een extra grote knuffel geven.

‘Mis je je vriend?’ zei ze.

Grappig – of juist niet grappig – hoe je tegelijk zó sterk kunt hopen dat iemand een bepaalde vraag stelt, en ook dat ze hem niet stelt. Als ik een lezer was die de Telegraafstrip Liefde is…* mocht invullen (zoals tijdens de vakantie van de maker wel eens gebeurt) dan zou ik kiezen voor: Elkaar de juiste vragen stellen

Een bijkomend voordeel is dat als iemand de juiste vragen stelt, je de meest pathetische dingen niet zelf hoeft te zeggen. Birres tweede vraag was dan ook: ‘Je mist hem héél erg hè?’ 

Ik hoefde alleen maar te knikken en nog meer te janken.

Dat was vanochtend. Het was heel even. Daarna was er weer de catering die ik voor vandaag had aangenomen. Ik zette Nadim op de mat met zijn doos met speelgoed, gooide mijn koffie achterover, haalde Otis de Hond uit zijn mand en fietste naar de markt om vis te kopen.

Jacob en Henk van de viskraam waren blij om me te zien, en ik moest heel hard binnensmonds Godverdomme zeggen om niet wéér te gaan huilen. Wat was er toch met me aan de hand?

De vis was prachtig. Ik kocht alles. Er waren kneiterverse langoustines uit de Noordzee, die veel te duur waren. Ik kocht en kocht en kocht als een Russische bruid met haar eerste creditcard, en werd maar niet gelukkiger.

‘Sorry, vriend’, zei Jacob, ‘dat laatste verstond ik niet.’

‘Anders niets’, zei ik. ‘Gdvrdmme.’

Op weg naar huis bedacht ik dat Birre gelijk had. Sinds de dood van mijn vriend had ik geen moment stil kunnen staan. In één jaar verloor ik Gijs, werd ik vader, werd mijn bundel uitgegeven en zowel extatisch als schoorvoetend ontvangen, nam ik een bedrijf over met klanten als de Rechtbank, dat psychologische rapportage verzorgt die van levensbelang is voor de onderzochte, en tikte ik in geen enkele nacht ook maar zijdelings een REM-slaap aan. En had ik al gezegd dat ons huis verbouwd wordt?

Ik was écht, voor het eerst in mijn leven, uitermate zielig. Ik was óók vergeten eieren te kopen, en dus moest ik met al mijn tassen langs de Jumbo, waar het op zaterdag drukker is dan in een Dresdener schuilkelder in februari ’45. Ik Godverdomde Birre’s fiets op slot (de mijne is vorige week gejat) en aaide Otis de Hond, die al braaf naast de hondenwachtkrul was gaan zitten, zijn ogen als de zwarte knoopjes op een knuffelberenporem.

‘Lief’, zei ik. ‘Godverdomme.’

Met in mijn armen de eieren en nog veel meer dingen die ik in het voorbijlopen van de schappen vergeten bleek, slalomde ik tussen de winkelende mensen door, toen mijn aandacht getrokken werd door een snerpend gepiep. Ik keek om en zag een donkere vrouw van mijn leeftijd, die met haar dochtertje van een jaar of vier aan het winkelen was. De vrouw had een rond gezicht en een mond die klaar leek om te lachen. Ze neuriede; babbelde onzin tegen haar dochter. Toen ze me voorbijliepen, zag ik dat de vrouw een sleepmandje achter zich aan trok, waarvan de wieltjes overbelast waren. Dat kwam omdat haar jongste dochter in het mandje zat, haar handjes om de rand geklemd. Een zak paprikachips was als een groot donzig kussen achter haar hoofd gestoken.

Ergens achter mijn borstbeen sloeg een libelle haar vleugels uit. De lucht, die door haar vleugelslagen opwaarts gestuwd werd, verplaatste zich door mijn longen en verzamelde momentum in mijn luchtpijp, waar hij mijn stembanden passeerde op weg naar buiten.

‘Ha!’ kwam er uit mijn mond. ‘Ha! Ha!’

De vrouw keek om en volgde mijn blik. ‘Slaapt ze?’

Ik schudde mijn hoofd; vroeg of ik een foto van haar dochter mocht maken.

‘Ja hoor’, zei de vrouw, die haar mandje losliet en naar de broodafdeling liep. Ik maakte een foto met mijn telefoon en stuurde die aan Birre. Zo zou ze weten dat er ook leuke dingen waren gebeurd, vandaag. Misschien zou ze straks, als ik thuiskwam van mijn catering, vragen: En, heb je een beetje een leuk dagje gehad?

 

            

 * Staan die er nog in, die blote kinderpoppetjes met hun manga-ogen? Als je geen tv kijkt en niet van voetbal houdt, blijven er weinig redenen over om een Telegraaf te kopen.