Gouden Bergen

Deze week ben ik in Bergen aan Zee; een lief huis in de duinen, waar ik samen met vier schrijversvrienden van ’s ochtends vroeg tot vlak voor het avondeten werk aan onze komende romans.

Mijn tijd hier wil ik altijd optimaal gebruiken, ik maak dan grote stappen. De concentratie die in de woonkamer van ons huisje hangt maakt dat op een of andere manier mogelijk; deze stilte is van een andere aard – ik kan veel langer blijven zitten, blijven werken.

Een aantal dingen is inmiddels traditie geworden: ik eet een frikadel met Rob als we op dinsdag wijn halen in Bergen Binnen. Er is altijd een nachtelijke wandeling. Rins en Rob en ik laten ons een keer masseren bij Salon Beijing in Alkmaar.

’s Ochtends bakt Ivo – de knapperd op de foto – spiegeleitjes die hij ons op een croissant serveert.

Elke werkdag sluit ik voldaan af en wijn smaakt zelden beter.

Deze week hoop ik de grote lijn van mijn nieuwe roman af te hebben – het gaat een lijvig boek worden en het werk eraan is zwaar omdat mijn eigen verleden en dat van mijn ouders er model voor staat. Waar eerdere boeken een heerlijk avontuur waren om te maken, voelt het nu veel meer als werk.

Vanochtend beschreef ik de dood van mijn vader, die iets werd verlicht doordat ik in dit boek niet zelf de verteller ben. Ik appte B, die vroeg of het moeilijk was om erover te schrijven; ik zei haar dat het goddank niet in mijn eigen stem hoefde. Mijn verteller heeft zelfs iets te winnen bij het overlijden van dit personage.

Had ik al gezegd dat het een Ghost Story* moet worden?

Mensen zeggen vaak dat deze stukjes zo persoonlijk zijn, maar ik voel me niet heel kwetsbaar als ik ze schrijf of herlees. Laatst ben ik bij het voordragen van een stukje over mijn ouders vastgelopen. Het verdriet had me beslopen.

Door hardop uit te spreken wat ik met enig gemak had opgeschreven voelde ik pas hoe persoonlijk het allemaal is. Mijn schrijven helpt me zien hoe het echt met me gaat, die woorden uitspreken trekt het gevoel erbij.

Niet schrijven is in mijn leven duidelijk geen optie meer.

________________________________________________________

*geen goed Nederlands woord voor

Uitje

Drie jaar werk ik nu in Café De Druif; twee personeelsuitjes gingen aan mijn neus voorbij omdat die steeds in schoolvakanties vielen. De gemiddelde leeftijd van het personeel is zesentwintig – niemand heeft kinderen of schoolvakanties.

Voor ik bij de Druif begon had ik geen kloof verwacht tussen mezelf als vijftiger en jongere collega’s. Misschien dacht ik dat ik bij de tijd gebleven was omdat ik een paar jonge vrienden heb, maar die vrienden zijn allemaal schrijver en dus feitelijk mild depressieve bejaarden in nog jeugdige verpakkingen.

Het meest opvallend was de kloof als er ouders van collega’s langskwamen. Vaak bleken die even oud als ik, in sommige gevallen jonger.

Maar als je samen achter een bar staat dan praat je veel; er was geen onderwerp waarover ik niet mee kon lullen. Vaak besefte ik na een tijdje pas dat issues als afstuderen, stageplekken, woningstress, prille relaties en het verbreken daarvan voor mij vijfentwintig jaar in het verleden lagen.

Er bleek het een en ander bij te leren op het vlak van humor. Wat nu leuk is en wat niet. De gebruikte afkortingen in appgroepen.

Ik ben gestopt met uitleggen dat mijn ouders boomers waren; dat ik dus geen boomer kan zijn; dat boomer komt van babyboom, de geboortegolf vlak na de oorlog. Ik leg het hier toch nogmaals uit, wat me een mansplainer maakt – ook al vind ik dat mansplainen mede ontstaat doordat vrouwen niet tijdig aangeven wat ze al weten.

Dit jaar werd er rekening gehouden met de schoolvakantie. Ik mocht mee op uitje; het werd het meest persoonlijke tot dusver, plus overnachting in een familiehuis van een van de eigenaren.

Ze kookten voor ons, we deden speurtochten op de hei en plukten paddestoelen. Er waren spelletjes bij de haard en later volgde mijn favoriet: dansen in de woonkamer rond een net te kleine speaker.

Ik hield het vol tot halfvier dankzij de muziek van Tarkan, maar vooral gedreven door hoe dol ik ben op thuisfeestjes. Ik bleek zeker niet de enige die van thuisfeestjes houdt. Toen het tijd was voor het overhandigen van ons cadeau aan de eigenaars, kreeg ik de speech in de schoenen geschoven.

Ik zei dingen over de sfeer, over hoe de eigenaren een team wisten aan te trekken dat bestond uit mensen met wie ik te allen tijde een avond uit zou willen. Terwijl ik praatte voelde ik hoe waar het was: ergens in de afgelopen maanden was er iets verschoven. Ik had met elk van deze twintigers een bandje opgebouwd, was dat hele zelfbewuste in het contact met hen verloren.

Op mijn veldbed op de smalle overloop waar Jasha en ik sliepen, mijmerde ik nog wat. Mijn ouders kwamen voorbij: hoe stil hun leven was geworden bij het wegvallen van tijdsgenoten; hoe er in hun laatste jaren op de kleinkinderen na zo weinig nieuws voor hen gebeurd was.

Terwijl mijn ogen dichtvielen nam ik me voor nog heel lang bij Café De Druif te blijven werken.

Veertien

Bijna elk jaar is onze jongen jarig in de herfstvakantie. We zijn dan in Normandië, in een huis met een haard in de woonkamer en grasland voor de deur waar bonkige paardjes grazen. We wandelen er veel, ik koop voorraad op de markten en kook voor onze familie. Een man of tien, met kinderen en honden.

Wie er precies mee kwam weet ik niet meer, maar een jaar of vijf geleden hebben we voor het eerst een speurtocht uitgezet, met een heel verhaal erbij – er was een dorpsgeest die geen rust kon vinden en Nadim (toen negen) moest daar met zijn opa iets aan doen. Samen met zijn opa, omdat die twee op dezelfde dag jarig zijn.

Een schatkaart, een nachtelijke wandeling en heksen in het bos die raadsels vertelden, magische drank uitdeelden. Spreuken om te zeggen bij een volle maan. Soms hebben we Nadim daarin wat overschat, zoals de keer dat zijn kleine zusje met piepende banden ontvoerd werd door de geest van Servigny en daarna gered moest worden via een holle weg met fluisterende bosgeesten in de berm.

Zijn opa heeft het daar nog steeds over, dat we toen te ver gegaan zijn. Maar als Nadim over die avonturen praat dan schitteren zijn ogen; elk jaar ziet hij er weer naar uit.

Nu viel zijn verjaardag weer in de vakantie, en Nadim speelde de rol van niets verwachtende bijna-jarige keurig. Omdat hij veertien werd, verwachtte B dat hij het allemaal wat kinderachtig zou vinden, maar hij leek ons dit pleziertje echt te gunnen.

Nadim loste raadsels van twee heksen op (Ada en Lou van 8 en 6, groen geschminkt en met zeewier als haar) en bevocht de Duistere Ridder met een houten zwaard dat de heksen hem gegeven hadden.

Daarna werd hij samen met zijn opa door De Koetsier naar het Donkerbos der Verloren Herinneringen gereden, waar hij van elk vakantiejaar een cruciale herinnering moest hervinden om de verstopplek van de schat te kunnen achterhalen.

Dat van die Verloren Herinneringen had B bedacht, en het pakte heel mooi uit omdat hij een aantal dingen écht bleek te zijn vergeten.

Hoewel deze nachten de voorgaande jaren een heus overgangsritueel leken omdat ze op de rand waren van wat hij aankon, leek dat nu niet meer het geval. Met luchtig enthousiasme hervond Nadim zijn herinneringen, en kwam erachter dat de schat in een dakloze ruïne achter de dorpskerk te vinden zou zijn.

Een verjaarstaart wachtte daar in een gotisch boogje – achter dat boogje, tussen brandnetels en doornstruiken, wachtte ik.

Ik hoorde ze naderen: de stem van mijn zoon die de afgelopen maanden zoveel dieper is geworden, zijn passen even zwaar als die van zijn opa. Toch twijfelden ze even bij de ingang.

Niemand wil een aardedonkere ruïne achter een begraafplaats in. Hun passen lichter nu, de stemmen zachter. Met het zaklampje van zijn telefoon bescheen Nadim de ruimte.

‘Daar!’ riep hij.

‘Voorzichtig,’ zei zijn opa nog.

Maar hij had de doos al te pakken; meteen kwam ik overeind ondanks de doornstruiken die zich in mijn broekspijpen hadden gehaakt, en schreeuwde zo ijselijk als ik kon.

Nadim schrok wel, maar moest ook heel hard lachen; daarna liepen we terug naar het huis. Alleen opa was wat stil geworden.

‘Gilles,’ zei bij het tuinhek, toen Nadim met zijn doos taart de keuken in gelopen was. ‘Ik schrok echt héél erg.’

Kortsluiting

Vanochtend bracht ik Ada (8) naar school; het was nauwelijks licht en de hemel hing laag, gesloten.

Mijn dochter fietst nu elke dag zelf, gaat bijna nooit meer op het zitje op mijn stang. Dat is een vorm van winst, maar ook een groot verlies.

Ik laat haar voor me uit rijden omdat een jongen uit mijn buurt op deze route overleden is. Hij reed achter zijn moeder, die daardoor een vrachtwagen niet zag. Ook vind ik, dat een kind zelf moet leren kijken, zelf moet kiezen in plaats van dommelig achter een ander aan te gaan in het verkeer.

En in het leven. Maar goed, Ada heeft nog even tijd om aan het leven als geheel te wennen.

Ze deed het geweldig, zelfs bij het kruispunt waar ze in het midden moest wachten tot ze af kon slaan, het andere verkeer moest lezen. Ik glimlachte, maar voelde ook een steekje: heel binnenkort kon ze dit allemaal alleen.

‘Je doet het geweldig,’ riep ik.

Als je iemand goed genoeg kent dan kun je aan haar achterhoofd zien dat ze lacht.

Toen we de straat van haar school in reden werd mijn oog getrokken door een schitterende donkergroene plant. Nachtschade, dacht ik meteen. Maar dat kon eigenlijk niet, want nachtschade werd nooit zo hoog of recht. De stelen van paprika, tomaat en aubergine zijn slap, meer wingerd-achtig.

We reden verder en Aad parkeerde haar mooie blauwe fiets, verwijderde de lampjes zoals we dat geoefend hadden. Vanuit het perkje voor de school hield de nachtschade ons in de gaten.

Grote groene tomaten hingen aan haar krachtige steel; haar bladeren waren donkergroen, paars bij de nerven. De plant was razendsnel gegroeid, overeind gehouden door een bamboestok, had in de laatste warme dagen van het jaar nog vruchten aangemaakt en die gevoed tot een volwassen grootte.

Nog voor de eerste nachtvorst zou ze, tomaten en al, sterven door de schimmel, door de rot.

‘Pap,’ vroeg Aad. Met haar fietssleutels in de hand keek ze naar me op. ‘Ga je nog mee naar binnen?’

Binnen was het helverlicht en broeierig, de lucht trilde van de jeugdigheid. Ada liet me de tekening zien waar ze aan werkte, haar rekenboek en haar knutselwerkje boven de kapstok in de gang.

Mijn kind gedijt, op deze basisschool. Ze wordt elke ochtend zingend wakker.

Ik trok haar tegen me aan en rechtte mijn rug, waardoor haar voeten van de grond kwamen. Haar lijfje past nog altijd in het mijne zoals één puzzelstukje in het andere past; alsof we samen pas een plaatje zijn. Ik schoot vol, wat me de laatste tijd om bijna niets gebeuren kan.

‘Moet je nou huilen?’ vroeg Aad.

‘Dat heb jij nooit hè,’ zei ik, en zette haar weer neer. ‘Als je heel blij bent, dat je dan ook soortvan verdrietig bent, maar op een fijne manier? Dat je even kortsluiting hebt, vanbinnen?’

‘Als ik blij ben,’ zei Ada, ‘dan lach ik altijd.’

Terwijl ik mijn fiets losmaakte keek ik nog eens naar de plant. Haar tomaten zouden nooit rood kleuren, nooit zoet worden of zaad voor nieuwe planten gaan verspreiden, maar dat wist ze allemaal nog niet.

Ze was sterk. Ze groeide. Ze hing vol met schitterende vruchten.

Ze was geen volwassen mens als ik, die gek genoeg was om te huilen als hij blij moest zijn.

Glittertand

Voorheen vervloekte ik de studiedagen van mijn dochters basisschool. Dat kwam deels doordat ik ze niet (als een georganiseerde ouder) aan het begin van elk jaar in mijn agenda zette. Gênant vaak heb ik balend voor die poort gestaan, opkijkend naar donkere lokalen.

Sinds dit jaar staan alle studiedagen in mijn agenda en mijn hekel is omgeslagen. Afgelopen vrijdag had Ada (8) vrij en ik had een paar verrassingen in petto.

Toen we haar moeder en broer hadden uitgezwaaid en ik kort had geschreven tilde ik haar op mijn fiets. Samen zoefden we door het centrum, mijn dochter zingend tussen mijn armen. Aad vocht overduidelijk tegen de aandrang te vragen wat de eerste verrassing van de dag zou zijn.

Als je een verrassing wacht dan voelt het alsof iets van binnen je middenrif op druk houdt, alsof je een visje met een zwemblaas bent. Ik denk dan ook dat mensen die op een verrassing wachten beter blijven drijven.

Na vijf minuten hield ze het niet meer. Kwamen we langs een winkeltje of een fijn café, dan vroeg ze of dat haar verrassing misschien was. Ik kuste haar bovenop haar hoofd en stak de Dam over, fietste de Damstraat in, koersend naar de Zuiderkerk.

Tegen die stokoude gevel parkeerde ik mijn fiets, luisterend naar het rondgaan van de radertjes in Ada’s hoofd. Bij een nieuwbouwpand drukte ik op een belletje met een glittersteen ernaast.

‘Kijk,’ zei ik, en wees haar op de steen. ‘Dat is een hint.’

Aads radertjes knarsten terwijl we de trap op liepen. Ze pakte mijn hand en we stapten door een openstaande deur op drie hoog, waar Louke op ons wachtte.

‘Dit,’ zei ik. ‘Is de Tandenfee.’

Louke liet Aad kiezen uit een bak glitters en drie tellen later lag mijn dochter op de behandelstoel, met grote ogen naar haar eigen tanden kijkend in een zakspiegel. Ze had een roze steentje gekozen, dat met beugellijm op haar tand geplakt zou worden. De operatie verliep succesvol en de vieze smaak van de lijm leek snel vergeten.

Terwijl we op weg gingen naar de volgende verrassing – Ada met een bijna manische glimlach zodat de hele stad haar glittertand kon zien – vroeg ik me af wat mijn probleem met die studiedagen toch altijd was geweest; waarom ik zo’n dag nooit simpelweg had afgeschreven om te genieten van mijn kind.

Ik hoorde me nog zeuren dat je als thuiswerkende nooit helemaal aan je werk toekwam en nooit echt aan je kinderen; dat je je werk daarom ging haten en ongeduldig tegen je kinderen werd omdat ze je van dat werk hielden – waarover je je dan weer schuldig voelde.

Wat een onzin, dacht ik. Dat zat allemaal maar in mijn hoofd.

De tweede verrassing van de dag was appeltaart bij Café de Druif, de derde werd een Turkse pizza bij Effendi op de Rozengracht. Tegen iedereen begon Aad over haar tand.

Ze mocht een badeendje uitzoeken bij een toeristenwinkel en koos het kleinste, goedkoopste roze dobberaartje dat er was, hield het veilig in haar handen op het stuur terwijl we weer naar huis toe zeilden.

Toen B thuiskwam vertelde Ada honderduit over haar dag terwijl ik er nog wat mailtjes uit deed en het begin van deze column tikte. Al mijn werk was gedaan en ik had een droomtijd met mijn kind gehad.

In mijn agenda checkte ik vast wanneer de volgende studiedag zou zijn.

Paddestoelen plukken

Col was ergens in de nacht geland op Schiphol. Hij had me zijn aankomsttijd niet willen zeggen omdat hij niet wilde dat ik opstond om hem op te halen.

De laatste tijd is het niet makkelijk te peilen hoe het met hem gaat. Deels een gevolg van de afstand: mijn maat woont afwisselend duizend en negenduizend kilometer bij me vandaan. Een ander probleem is dat hij zijn telefoon heeft weggedaan, iets waarover hij het bij zijn vorige bezoek al had.

‘Ed Sheeran heeft ook geen telefoon,’ zei Col toen. Ik weet nog dat hij een paar plakken brood afsneed in onze keuken. Hij bedient doorgaans zichzelf als hij op bezoek is. ‘Die doet alles per mail. Nul afleiding.’

‘Dan gaat alles toch gewoon per mail?’ zei ik. ‘Moet je daar de hele dag naar kijken.’

Voor hij aankwam had ik gemaild dat ik een leuk plan had voor de ochtend, maar dat onze excursie ook in de middag kon als dat beter uitkwam voor zijn jet lag. Niets meer op gehoord, maar om half negen – ik had net Ada (8) naar school gebracht – stond hij voor de deur.

‘Ik weet al wat het is,’ zei Col. Hij stuiterde nog net niet. ‘Oh boy, ik weet al wat het is. We gaan paddestoelen zoeken, toch? Zeg dan? Gil, kom op, zeg dan. Gaan we naar de Utrechtse Heuvelrug?’

Col zeurt al jaren of hij een keertje mee mag en ik zeg al jaren dat hij altijd mee mag, maar dat het zijn eigen rooster is dat de boel bemoeilijkt. Voor het plukken van paddestoelen ben je afhankelijk van het weer, wat een flexibel rooster vereist, wat acteurs die in trek zijn totaal niet hebben.

Ik moest een beetje lachen om de manier waarop hij Utrechtse Heuvelrug verhaspelde, maar wilde hem niet kwetsen. Cols Nederlands is wonderlijk goed geworden en ik verdenk hem ervan privéles te nemen, maar hij verzekert me steeds dat hij het allemaal geleerd heeft door het lezen van mijn werk.

Het was goed om mijn maat te zien. God, wat zagen we hem weinig. Ja, hij was me veel te druk, maar ik werd altijd zo blij van die enthousiaste trouwe kop.

‘Ok,’ zei ik. ‘Ja. Vandaag is de dag.’

Terwijl ik ons naar het bos reed oriënteerde Colin zich op mijn telefoon alvast op de mogelijk te vinden eetbare paddestoelen. Op welke er giftig waren. Daarna googlede hij zijn laatste film, maar leek kwaad te worden van wat hij las en dumpte mijn telefoon in het vak onder de radio.

Ik had de recensies ook gelezen en wilde er niet over beginnen, maar het hele concept met die deuren had me bij de eerste trailer al tegengestaan. Col, als je dit leest: sorry. Ik had het moeten zeggen.

Toen we de auto achter ons gelaten hadden en over een van mijn favoriete bosperceeltjes liepen, was het al snel raak. Ik liet Col mijn vangst zien, vertelde waarop hij letten moest. Binnen een minuut had hij zijn eerste boleetje binnen, dat hij bijna teder in zijn rugtas vleide.

Niet voor het eerst voelde ik dat Colin altijd naar ons komt om op te laden. En dat voelde fijn.

‘De mooiste vind je gek genoeg vaak langs het pad,’ zei ik, maar Col was al verdwenen. In de diepte van het bos bewogen struiken, kraakten takken. Zo nu en dan hoorde ik hem juichen. Misschien had ik hem moeten uitleggen dat plukken in natuurgebieden verboden is.

De popularisatie van psychodiagnostiek vind ik niet per sé een aanwinst voor de samenleving. Een GGZ-professional zal snappen dat ieder mens wel op bepaalde schalen scoort. Voor leken is zo’n label al gauw stigmatiserend: iemands hele persoon wordt teruggebracht tot die ene noemer.

Maar goed: als iemand van mijn vrienden in aanmerking komt voor het label ADHD dan is dat Col – de upside van zo’n diagnose is dat je, als je je focust, alles om je heen vergeet.

Drie kwartier later zaten we weer in de auto; de achterbak lag vol eekhoorntjesbrood en andere boleten en onze tassen puilden uit. Toen we weer in de stad waren zei Col dat hij een afspraak had. Hij zou vanavond terugkomen om samen voor B en de kinderen te koken.

Ik stond boleten schoon te borstelen in de keuken toen er op mijn telefoon een mailtje binnenkwam. Het was Colin. Of we morgenochtend weer naar het bos konden, omdat er een veldje was waar hij er misschien een paar had laten staan.

Naar huis gaan

Als ik aan een roman werk probeert B me voor verjaardagen altijd cadeaus te geven die daaraan bijdragen. Bij Luis Martín was dat een ticket naar Madrid; aangezien mijn nieuwe boek zich deels zal afspelen in het Brabant van mijn jeugd, regelde ze een hotelovernachting in Vught.

Ik heb wel eens enthousiaster gereageerd op een cadeau (bijvoorbeeld dat ticket naar Madrid) en vroeg me razendsnel af of ik mijn hele tekst nog kon omzetten naar Rome, naar Venetië of Kopenhagen.

‘Een overnachting,’ zei B. ‘Het hotel is heel fijn, denk ik.’

B kan zich erg verheugen op het soort luxeleven dat in fijne hotels wordt voorgewend en ik kan genieten van een vrouw die zich verheugt; samen weg was hoe dan ook leuk, dus waar kwam mijn gebrek aan enthousiasme vandaan?

Sinds het vertrek met mijn ouders uit Brabant in 1984 ben ik nog een paar keer terug geweest in Vught. Korte uitstapjes, vanaf de snelweg om het centrum heen in een zo recht mogelijke lijn naar het huis waar we ooit woonden, dat altijd onveranderd leek. Grijze steen, donkere schrootjes, een tuintje ervoor, een oprit ernaast.

Er zouden inmiddels wel meerdere gezinnen hebben gewoond en de boel binnen was natuurlijk onherkenbaar verbouwd. Je zou net zien dat Weer verliefd op je huis er in samenwerking met sponsoren een antracietgrijze showroom van had gemaakt. Gietvloeren, koperen accenten.

Het weerzien met het huis waar ik gelukkige kinderjaren had confronteerde me telkens juist met de onherstelbare voorbijheid van die tijd, en sinds de dood van mijn ouders met het feit dat ik nooit meer terug kon gaan naar huis. Maar dit keer was ik er met B, en omdat ik met B was waren we op fietsen die we van het fijne hotel te leen hadden gekregen.

We reden door het oude dorp, waarvan ik niets herkende. Kennelijk hadden mijn ouders het in onze Vughtse tijd vooral bij onze eigen wijk gehouden.

Op postduiveninstinct vond ik na een lange tocht ons oude huis. We reden de straat in en het voelde anders. Mijn werk aan dit boek, het visualiseren van mijn ouders’ jeugd, van mijn eigen kindertijd – ik stond met één been in de jaren zeventig en met het andere in 2025.

‘Wat doe je?’ zei ik tegen B, die voor het huis was afgestapt en richting voordeur liep.

‘Willen we niet aanbellen?’

‘Zéker niet,’ zei ik, maar ook ik stapte af. ‘Wat moeten die mensen met ons? Straks denken ze dat we glasvezel verkopen.’

Zoals wel vaker bleek dat B beter weet was goed voor me is dan ik; ze liet zich niet terugfluiten, bleef bij die voordeur staan tot ik kwam en me vermande, me afvroeg wat er als ergste kon gebeuren en aanbelde.

Na een paar tellen deed een vitale oudere dame open. Ze keek kordaat en afwachtend, maar niet onvriendelijk.

‘U kent ons niet,’ begon B. ‘Maar–’

‘Ik ken jou wel!’ riep de dame, wijzend naar mij. ‘Jij bent Gilles.’

Strangers is een schitterende roman van Taichi Yamada uit 1987 waarop later de schitterende film All of us Strangers (2023) gebaseerd is. Mocht je hem niet gelezen / gezien hebben: volwassen zoon keert terug naar het huis waar hij als kind met zijn (inmiddels overleden) ouders woonde en treft hen daar in de bloei van hun leven aan.

Harada’s ouders zijn nu even oud als hij en nog kinderloos, maar ze herkennen hem op een of andere manier en een ontroerende vriendschap ontstaat. Tot blijkt dat Harada door hen te blijven bezoeken steeds verder oversteekt naar het dodenrijk.

Maar goed, dat is het boek – dit was Vught, Noord-Brabant, 2025.

Til en Clemens kochten het huis van mijn ouders in 1984 en wonen er tot op de dag van vandaag. Ze veranderden in de afgelopen veertig jaar niets behalve de badkamer en het behang in hun slaapkamer.

De krassen van onze hond stonden nog in de deur naar de keuken, de tafel waaraan ik met mijn ouders gegeten had was er, de keukenkastjes waaraan mijn moeder haar hoofd zo hard kon stoten dat je haar als je aan het begin van de straat aan het spelen was al kut kon horen roepen.

We mochten boven rondkijken en ik stond een paar minuten in mijn oude kamer, waar het stucwerk grof en grijs was. Mijn vingertoppen herinnerden zich die lijnen, die ik aftastte als ik in bed lag, niet kon slapen, bang was in het donker.

Ik word bijna nooit herkend als schrijver, maar hier in Brabant, bij mijn oude huis op de Baroniesingel, gebeurde het. Til had onthouden dat de mensen die hier eerst woonden een zoon hadden die Gilles heette. Telkens als er iets over me in de krant stond had ze gedacht: dat moet die jongen zijn.

Deze mensen waren mijn ouders niet, maar ze waren van dezelfde soort, de juiste leeftijd, op dezelfde manier gekleed – Clemens in net zo’n zachte trui van dunne stof als mijn vader altijd aanhad. Ze namen alle tijd voor ons, ik werd wel drie keer gemaand mijn jas uit te doen, te gaan zitten.

De bewoners van mijn oude huis leken dit allemaal net zo bijzonder te vinden als ik. Er was een vertrouwdheid tussen ons die niet hoorde bij mensen die elkaar nog nooit hadden ontmoet. Sneller dan misschien nodig was namen B en ik weer afscheid.

‘Waar wilde je nou nog meer heen?’ zei ze toen we buiten stonden.

Ik had nog op zoek gewild naar een grote eik die ik me herinnerde, naar het bos waarin die gestaan had, maar ik kon er geen indrukken meer bij hebben; bovenal wilde ik wat er net gebeurd was laten bezinken, op een of andere manier intact houden.

‘Kom,’ zei ik, ‘dan fietsen we naar Den Bosch. Gaan we daar een biertje drinken.’

In stilte reden we naar de stad en sloegen af bij de drakenfontein die zonder dat ik me daarvan bewust geweest was een plek gekregen had in Café Dorian.

We stapten af, haalden biertjes bij een kroeg waar iedereen buiten stond. De herfstzon viel door het straatje – het warme licht dat mijn moeder altijd noemde als ze over mijn geboorte sprak.

We dronken van ons bier en B maakte een foto van me terwijl wat net gebeurd was zich in mijn hoofd begon te nestelen. Ik dacht aan Clemens en Til; aan Jos en Ine. Ik keek naar de lucht, die het blauw had van de kleurenfoto’s uit mijn jeugd – alsof overal een geeloranje filter over lag.

‘Dank je,’ zei ik tegen B.

Rustig

Met een krat gemarineerde kip fietste ik naar Noord. Vanmiddag zou ik gaan grillen met Roog en Iwan, iets wat niet gebeurd was sinds 2012, toen we samenwerkten in de keuken van een restaurant dat nu niet meer bestaat.

Roog was er leerling; een kalme jongen die enorm serieus keek maar heel makkelijk kon janken van het lachen. Volgens chef Iwan zou het restaurantje niet gek druk worden en omdat ik weinig liever deed dan koken met Iwan, had ik meteen ja gezegd toen hij me vroeg om er te komen werken.

Maar recensent Johannes van Dam gaf restaurant Open in de week voor mijn eerste dienst een negen en daardoor zat de hut dagelijks vol van twaalf uur ’s middags tot elf uur ’s avonds. Wachtlijsten. Rijen.

Mijn plek was de warme kant, waar ik hoofd- en tussengerechten tegelijk deed en ook oog moest houden voor de leerling aan de koude kant. Elke avond was een kaalslag; alles ging op – ik had blaren onder mijn blaren en mijn onderarmen zaten vol brandwonden.

Op het drukst van elke dienst was er die paniek, de zekerheid dat ik dit schip nooit meer zou kunnen rechten. Ik deed wat ik kon totdat de hoos voorbij was en probeerde zoveel mogelijk Roog te helpen, de leerling die alle voorgerechten en desserts moest maken.

Tegen het einde van mijn laatste avond bij Open, toen de hoos erop zat, rookte ik met Roog een sigaretje bij de ingang terwijl de dessertbonnen alweer uit de printer rolden in de keuken achter ons. Zwijgend, zuchtend, staarden we naar de regen boven het Westerdok. Roogs blik hield het midden tussen broeierig en aangeslagen.

‘Weet je,’ zei hij toen ik weer naar binnen wilde stappen. ‘Ik snap niet hoe jij het doet. Jij bent echt een soort zenmeester of zo. Je hebt altijd overzicht, blijft rustig en kunt mij ook nog uit de shit trekken.’

Ik heb die woorden altijd onthouden, ging daardoor heel anders kijken naar mensen van wie ík dacht dat ze niet te stressen waren. Wat er rustig uitzag kon van binnen blijkbaar als totaal ontregeld voelen.

Sinds ik niet meer voor geld in keukens sta, kook ik nog regelmatig met mensen die ik uit die tijd ken. Dat koken is dan écht stressloos – niets meer dan gezelligheid, creativiteit, genieten. Tegenwoordig is Iwan de chef van Rijsel, Roog is eigenaar van De Klaproos in Noord, waar we vandaag dus samen kippies zouden grillen.

Iwan had een zak marinade gemaakt en ik had daar die twintig kilo kip in gelegd. Malvin en Patrick hadden beloofd om plaatjes te draaien; we zouden wel zien wie er kwam om alles op te eten.

Terwijl ik van de pont af reed scheurde de hemel open en de regen bleef op me in beuken tot ik bij de Klaproos was.

Ik zette mijn krat kip op de werkbank in de keuken en begroette Roog en Iwan, daarna maakte ik drie rumcola’s en gingen we aan de slag. We wilden ook coleslaw maken, gepofte aardappelen en maiskolfjes met Maggiboter.

Binnen een halfuur was alles ready. We stonden er extreem goed voor, maar de regen hield niet op. Ajax speelde. De laatste mooie dag van het jaar was afgelopen vrijdag door de hele stad intens beleefd en velen waren daar nog steeds niet van hersteld.

Om het kort te houden: het bleef erg rustig, al ging het eten gelukkig wél op.

Ik ben gevoelig voor slecht bezochte feestjes, daarom probeer ik altijd te gaan als mensen me voor dingen uitnodigen. Het hielp niet dat mijn zoon Nadim (13) me halverwege de middag opzocht achter de barbecue en zei dat hij het zielig voor me vond dat er zo weinig mensen waren. Dat het zo rustig was.

De uitdrukking in het water gevallen drong zich aan me op.

‘Dat is lief van je,’ zei ik na een paar tellen, en gaf hem nog een kippendij. ‘Maar weet je, ik wilde graag kip grillen met mijn vrienden en dat zijn we nu aan het doen, dus ik ben tevreden. Maak je geen zorgen over mij.’

Woorden die voor hem bedoeld waren, maar op ons allebei inwerkten. Ik kreeg een roze drankje van Maj van de bediening en vroeg iemand een foto van Roog, Iwan en mij te maken. Daarna deed ik een dansje met mijn kinderen en rookte een jointje met vriend Tijn, die ook gekomen was.

Toen ik ’s avonds moe en stinkend thuis kwam, kon ik met overtuiging tegen mijn jongen zeggen dat deze zondag met mijn vrienden heerlijk rustig was verlopen.

Veertien jaar

Lieve Gijs,

Na je overlijden in 2011 schreef ik elk jaar een stukje over je op de website van literair tijdschrift Tirade. Ik nummerde die stukjes; je was één jaar dood, toen twee, toen drie en dat ging zo door tot tien.

Als laatste schreef ik:

Op een ijzige februarinacht tien jaar geleden raakte je te water en verdronk. We verzamelden ons, een vriend of honderd sterk. Ik hield een kleine toespraak en we hieven onze glazen. 

Hoewel ik door onze vrienden vaak aan die toespraak ben herinnerd, weet ik alleen nog dat ik heb gepraat over de leegte die nu in ons midden was. Dat de contouren van onze vriend – als we die leegte met zijn allen zo dicht mogelijk omgaven – vanzelf zichtbaar zouden worden. 

Ik heb mezelf na je dood heruitgevonden, moest me afvragen wie ik was zonder jouw blik. 

Ik schreef Het jasje van Luis Martín, een roman die ik daarna insprak als luisterboek – ik las voor over een vriendschap tussen twee jonge mannen. Over jou en mij. 

Ik maakte fout op fout, moest steeds opnieuw beginnen, maar na een tijdje werd ik toch in ons verhaal gezogen. Ik las over barmannen die nachten sloopten, dagen sliepen, over leven zonder einde. We smeten met de tijd alsof we die als fooi gekregen hadden. 

Hoe vaak kan ik nog over je schrijven? 

Heb je liever dat ik je laat gaan?

Sinds dat blogje schreef ik niet meer over je.

Je leek steeds vager, verder weg. Ik verloor je lach, je stemgeluid. Dat verdwijnen van de overledene, een traag verlies na het acute – misschien vond ik het te pijnlijk. Dat laatste blog van me, daar zaten geen details meer in. Niets over je houding, je ogen, je handen.

De afgelopen tijd was de dood weer heel aanwezig in mijn leven. Mijn vader overleed, daarna mijn moeder. Ik had het er moeilijk mee, die muur waar we met zijn allen op af razen; dat onvermijdelijke einde kleurde al mijn denken.

Vorige week dronk ik koffie met een goede vriendin, van wie de broer niet lang te leven heeft. Ze zei:

Ik probeer ervan te genieten dat hij er nog is. De laatste jaren heb ik me blind gestaard op de dood, maar dan heb je meteen niets meer aan de tijd die je met zo’n geliefd iemand rest. Wat hij niet meer zal kunnen belemmert het zicht op wat er nog wél kan.’

Dit is geniaal, dacht ik. Ze heeft zich omgedraaid: de muur bevindt zich achter haar en zij kijkt naar het leven.

Dit weekend zag ik je opeens weer lopen, ergens in een drukke straat. Even later zag ik je lachen voor de deur van een café. Je rookte en ik herinnerde me hoe je de lucht vaak door het spleetje tussen je tanden naar binnen zoog. Je legde je handen met de palmen naar boven op een tafel als je iets wilde benadrukken.

De manier waarop je je jas aandeed, je schouders erin schudde totdat alles goed zat.

Nu zit ik hier op de Zeedijk, honderd meter van de plek waar jij verdronk, en zie je levendiger voor me dan me in jaren is gelukt.

Misschien keerde je een beetje bij me terug omdat ik wist dat ik hier vandaag zou zitten.

Misschien heeft mijn gesprek met die vriendin geholpen, heb ook ik een draai gemaakt waardoor ik weer meer naar dit leven kijk waarin jij zo belangrijk voor me bent geweest.

Misschien is veertien jaar een mijlpaal in het dodenrijk – wie zal het zeggen.

Maar welkom terug, vriend. Welkom terug.

Vooruitkijken / De dood

Met vriendin Y spreek ik meestal af in het soort koffiezaak waar ik op eigen houtje niet kom. Ik ben klaar met specialty coffee; dat mag wel eens gezegd worden – die zure Ethiopische bonen waardeer ik niet, de honderden opties qua herkomst, branding, melk. Al het gelul.

De recente verheerlijking van opgietkoffie stoort me zo mogelijk nog meer omdat die kwam na jarenlang stijgende ingewikkeldheid over molens, espressomachines, weegschaaltjes, bonenbevochtigers, losmakers, tampers en open portafilters. We hadden al opgietkoffie; die was goedkoop en niet heel lekker. Nu hebben we wéér opgietkoffie, die is lekkerder en tien keer zo duur (per kopje denk ik niet dat ik overdrijf).

Dit is niet hoe je een column over de dood moet beginnen, maar ik doe het kennelijk wel.

Y en ik hebben flink wat dood in onze nabijheid gehad, de afgelopen tijd. We hadden afgesproken omdat we elkaar wilden zien, maar ook omdat haar broer heel ziek is.

‘Wil je erover praten?’ vroeg ik, roerend in mijn zo regulier mogelijke cappuccino.

Y sloot haar handen om haar cortado met opties. ‘Nee,’ zei ze. ‘Je weet alles al.’

‘Geen nieuws?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Ik probeer ervan te genieten dat hij er nog is. De afgelopen jaren heb ik me blind gestaard op de dood, maar dan heb je meteen niets meer aan de tijd die je met zo’n geliefd iemand rest. Wat hij niet meer zal kunnen belemmert het zicht op wat er nog wél kan.’

Ik drukte mijn wijsvinger tussen twee lagen van mijn kaneelkrul. De krul was droog maar niet krokant. Ik had het gehad met al die permutaties van croissantdeeg. Iedereen kon dat tegenwoordig maken en daarna vulden ze het overal met dezelfde pistache-, amandel of hazelnootcrème. Ik bedacht dat ik me bij heftige onderwerpen vaak ergerde aan alledaagse dingen. Dat dit een vorm van dissociatie was.

‘Je hebt het opgelost,’ zei ik na een tijdje zwijgen. Het regende nu; op het plein voor de deur hadden de kindjes plasticjassen aan, laarzen en petjes.

Y zette haar bril af, wreef in haar ogen en keek me aan. ‘Huh?’

‘Sinds de dood van mijn ouders zie ik eindigheid in alles. Ik kan niet over het leven denken zonder de dood te zien. Het is een muur waar ik niet doorheen kan, die ik niet om krijg. Er leek geen oplossing voor, maar jij hebt je omgedraaid. De muur is nu achter je.’

Als ik met Y praat dan voel ik vaak de behoefte haar te omhelzen; ik doe dat heel vaak niet. We praatten over andere dingen – onze boeken, onze partners, mijn kinderen, onze vakanties.

Pas toen we afscheid namen omhelsden we elkaar. Door de regen fietste ik naar school om Ada op te halen. Daarna kookte ik voor mijn gezin. Toen B thuiskwam vertelde ik wat Y gezegd had.

‘De dood is niet op te lossen,’ zei ik. ‘Die is er gewoon, maar als je je omdraait dan is het hele leven er ook nog.’

B luisterde, at een chipje en nam een slok van haar alcoholvrije bier. Ik zag aan haar gezicht hoe vanzelfsprekend mijn ontdekking voor haar was.

‘Ander nieuws is dat ik nooit meer specialty coffee hoef.’