Theater



Tot tien jaar geleden had ik weinig met toneel, maar heel geleidelijk ben ik er toch in gerold. Het begon met Nita, die me vroeg om mee te werken aan een experimenteel stuk over mannelijkheid.

Ik ontmoette haar in Paramaribo en ze zal daar iets in me gezien hebben, maar ik ben te ongemakkelijk op een toneel; doe te veel of te weinig – ontspannen wordt onmogelijk als er dat soort focus op me staat. Het maken van de voorstelling Amsterman was een leuk proces, maar ik zou zoiets nooit meer doen.

Allebei mijn kinderen gaan sinds jonge leeftijd naar toneelles, en blijken op een podium zo mogelijk relaxter dan erbuiten; vol verwondering kijk ik naar de optredens van mijn zoon Nadim (14) – naar hoe tekstvast hij is en hoe vrij hij zich beweegt.

Een paar jaar geleden raakte ik bevriend met Manoushka, die bijna elke dag optreedt. Naar al haar stukken neem ik ook mijn kinderen mee, en zo waren B, onze dochter Ada (9) en ik afgelopen vrijdag in de Meervaart om Moeder van Europate zien.

Ga erheen als je de kans nog hebt, het is een belangrijke toevoeging aan je denken over onze geschiedenis. De stukken van Orkater werken – ook als ze voor volwassenen bedoeld zijn – goed voor kinderen omdat er veel muziek in zit.

Zelf had Aad de hele week gerepeteerd voor een stuk dat de dag erna zou worden opgevoerd; mijn dochter was doodmoe en zag bleek als een zeepje, maar ze moest en zou mee naar het theater. Manoushka is de afgelopen jaren ook een vriendin van háár geworden. 

Moeder van Europa is een lange voorstelling en Ada, tussen B en mij in op een verhoogde stoel, kon met geen mogelijkheid snappen waar het allemaal over ging, maar ze wilde géén cola of snoep; volgde de acteurs met grote ogen tot het doek om half elf viel.

In de foyer vroegen we haar of ze niet naar huis wilde, morgen was tenslotte haar eigen voorstelling, maar Aad zei stellig dat ze zou wachten op de spelers. Ik keek op mijn horloge, zette mijn boevenpet op en sloop via een verboden gang met haar naar de kleedkamers, waar ze stralend door Manoushka werd ontvangen. Ze kreeg ijsthee van Michiel (uit een eigen koelkast!) en Shahine herkende haar.

‘Ik weet wie jij bent,’ zei hij. ‘Jij brengt mij altijd drankjes als je vader in De Druif werkt.’

Na de ijsthee droeg ik onze dochter naar de parkeergarage, haar armen hingen slap over mijn schouders. 

‘Heb je nog dingen,’ vroeg B haar toen we in de auto zaten, ‘waarvan je dacht: die neem ik morgen mee in mijn eigen spel?’

De hoge lampen boven de Pieter Calandlaan schitterden in Ada’s wijdopen ogen; ze knikte traag.

‘Dit,’ zei ze even later, ‘was de mooiste avond van mijn leven.’

De volgende dag speelde ze de sterren van de hemel.

Lezers

‘Ja,’ zei W in het kleine café waar we zaten om een boekje te bespreken dat ik voor haar uitgeverij gemaakt heb. ‘We gaan natuurlijk ten onder met dat hele boekenvak, maar laten we dat dan wél feestelijk doen.’

We nipten van een glaasje crémant terwijl ik bedacht wat een geluk het was om op een zinkend schip te zitten; hoe belangrijk de kleinste dingen dan worden. Een man en een muis die zich zij aan zij vasthouden aan het laatste droge stukje reling, met heel hun wezen opkijkend naar de wolken, naar de zon.

Toen mijn eerste verhaal vijftien jaar geleden verscheen verwachtte ik niet te kunnen leven van mijn eigen werk. Ik geloofde in dat verhaal en in alle verhalen die volgden, maar in mijn tijd en taalgebied is leven van de literatuur onmogelijk. Ik ben groot gekomen in een kleine vijver. 

Soms draag ik ergens voor en merk dan hoe oud mijn publiek is – grijze haren in die paar bezette rijen van de schouwburg. Binnen twintig jaar valt de groep die nog opgroeide met lezen en de radio weg. 

Toch geloof ik dat er altijd echte lezers zullen zijn, zoals er altijd mensen zullen zijn die willen leren haken, die een obscuur soort keelzang onder de knie willen krijgen, die Sloveens willen leren.

Ik zie ze als ik achter de bar sta in De Druif, zelfs op de drukste avonden: jonge mensen komen binnen met een roman onder hun arm en wachten lezend op hun vrienden – soms blijven ze lezen als die vrienden er zijn. 

Een tafel vol open boeken in een druk café – ze ontroeren me, die lezers. Het zijn mensen met een grote interesse in de ander en een nog groter hart, die steeds weer bereid zijn om die eerste stap te zetten, zich over te geven aan dat verhaal. Ze doen moeite om de ander echt te snappen.

Nu ik het zo opsom: als het lezen ooit stopt, dan is de hele wereld reddeloos verloren.

Humor

Toen onze zoon geboren werd, toen ze hem in mijn armen legden, gebeurde er iets onverwachts. Zijn verbijsterde gezichtje kwam mij als dat van een totale vreemde voor.

Ondanks de waarschuwing van een vriend die eerder dan ik vader was geworden, was ik van een onmiddellijke lichamelijke herkenning uitgegaan, maar hier was een hele nieuwe persoon met wie ik – als was ik zonder uit te kijken een hoek om gerend – plotseling te maken had.

In mijn herinnering duurde dat onwennige een halve dag, daarna was Nadim volop de mijne. Best kort als je bedenkt dat je geen woord met zo’n kind kunt wisselen. Daarna leerde ik hem in stappen beter kennen: toen hij begon te lachen, te eten, te praten – telkens bleek hij los van mijn verwachting en meer zichzelf. Daarna ging hij schrijven, appen: weer een nieuwe man om te ontdekken.

Bij het uitharden van zijn gevoel voor humor komt Nadims persoonlijkheid tot in de laatste puntjes uit de verf. Humor is natuurlijk al heel vroeg aanwezig, maar ik doel hier op de dingen die hij grappig vindt nu hij (op zijn veertiende) een nagenoeg volwassen begrip heeft.

Vorige week moesten we naar een afspraak bij de specialist. Zijn appgedrag is vaak gekmakend, zo kortaf dat het bot aandoet. Nu was ik bereid twee uur van mijn werkdag op te offeren om hem te steunen bij iets wat hij makkelijk zelf kon.

Dag lieve man, schreef ik. Heb je een fijn dagje? Je weet dat we zo een afspraak hebben, toch? Ik ga met je mee, hoor. Kun je me bij De Balie ophalen na mijn werk, of ga je van school naar huis en fietsen we vanaf daar als we een boterham gegeten hebben? 

Na een paar tellen schreef mijn jongen: Thuis

Jezus, stuurde ik. Je weet dat je voor appjes niet per letter betaalt, hè?

Even knipperden de puntjes bovenin het scherm. Hij antwoordde met alleen de letter J

Telefoon van school

Toen ik in de pauze van mijn les gehaast naar buiten ging om mijn voicemail af te luisteren bleek het bericht dat ik gekregen had niet van de school van mijn zoon. Het kwam van de speciaalzaak die mijn rijbewijsfoto had gemaakt; het bestand bleek beschadigd – of ik deze week nog langs kon komen.

Niemand had me dus gebeld om te vragen waarom Nadim (14) niet op school was aangekomen. Ik weet niet waarom ik zo zeker had geweten dat er verschrikkelijk nieuws zou zijn, maar de angst bleef de rest van de werkdag bij me; mijn zweet stonk en mijn handen bleven koud.

Ik kon me niet meer concentreren op de les die ik zo goed had voorbereid. Steeds zag ik die politiewagen, wachtend voor ons huis – een agente zou uitstappen terwijl ik mijn fiets parkeerde. Ze zou haar pet afzetten en vragen of mijn naam Van der Loo was – Bent u de vader van Nadim?

Toen ik thuiskwam stond de fiets van onze jongen gewoon tegen de boom. Ik trof hem binnen aan de keukentafel met de poes, bezig aan de achterlijk grote puzzel waaraan hij al maanden werkt.

Steeds als er een dodelijk ongeval is in Amsterdam, weet ik zekerder dat het om mijn kind moet gaan. Meestal wordt er de eerste uren niets gezegd over geslacht of leeftijd.

Nadim moet op school zijn telefoon in een locker stoppen – ik kan hem dus niet bellen, en ik ben niet gek genoeg om de conciërge lastig te vallen met mijn angst.

Hoe ouder ik word, hoe heviger ik reageer op dodelijke ongevallen. De stress houdt tegenwoordig aan ver voorbij het heelhuids thuiskomen van mijn kind.

Ik wil hier eigenlijk zeggen dat ik me daarvoor schaam, dat het een vorm van ramptoerisme is – beledigend voor de ouders van de jonge vrouw die onlangs in De Pijp onder een vrachtwagen raakte.

Maar ik ben niet de enige die zo reageert – vrienden die ik hierover sprak herkenden het; nog weken na zo’n ongeval vrezen ze dat telefoontje, die politiewagen voor de deur.

Hier zit ergens schoonheid, denk ik.

Als in onze stad één kind niet thuisgekomen is, dan is het voor heel even alsof al onze kinderen niet zijn thuisgekomen.

Winterslaap

Ik heb nog nooit zo uitgezien naar de lente. Elke ochtend is als opstaan uit het graf – alsof ik me diep onder de grond bevind en me aan de randen van een koude kuil moet ophijsen.

Dit mag geen gotische vertelling worden; wat ik bedoel is dat ik de hele tijd moe ben. Ook als ik om halftien al in mijn nest lag kost het me de grootste moeite ontbijt voor mijn gezin te maken, Ada naar school te brengen, aan het werk te gaan.

Misschien hoort dit allemaal bij mijn herstel na een lange slopende periode. De afgelopen zomer was de eerste in drie jaar die ik bewust heb meegekregen – ik was nog aan het ontdooien toen de eerste herfststorm zich weer meldde.

Een alternatieve of parallelle verklaring voor mijn vermoeidheid zie ik in de jaarringen van bomen.

In een klimaat met seizoenen maken bomen elk jaar een nieuwe laag hout aan. De brede lagen in de dwarsdoorsnede van hun stam ontstaan in de lente en zomer, de smalle komen van de herfst en winter.

Donkere en koude maanden zien dus nauwelijks groei. De boom spaart dan haar krachten, trekt zich in zichzelf terug om in de lente weer volop uit te lopen; ook mensen zijn gevoelig voor licht en temperatuur.

Er is heel veel in mijn dagen en weken om naar uit te zien – ik houd van mijn werk en vrienden, van mijn buurt en stad, maar als B me bij het ontbijt vraagt waar ik vandaag zin in heb dan zeg ik dat ik alleen maar wil slapen.

Ik geloof dat het van groot belang voor vrouwen is om op de werkvloer rekening te mogen houden met hun cyclus. In het verlengde daarvan wil ik signaleren dat de aarde en alles wat daarop leeft ook een cyclus heeft, die nog niet eens in het dénken over onze arbeidscultuur wordt meegenomen.

_______________________________________________

De poes op de foto doet het nog één keer voor

Ballen

Dit is de eerste keer in vijftien jaar dat ik ga zeuren in een column, maar als een grote groep mensen in deze samenleving zich chronisch misdraagt, dan moeten we daar toch echt iets mee.

Ik zeg dit niet om mijn gram te halen of anderen te kwetsen; ik zeg het omdat het gedrag van deze groep volgens mij kan worden bijgestuurd, waarna we weer met zijn allen door een deur kunnen.

In het café waar ik elke donderdag barman ben, komen alle leeftijden en geaardheden kopstootjes drinken. Schippers, schrijvers, metaalbewerkers, instrumentenbouwers, voormalig wapenhandelaars, studenten en veroordeelde drugssmokkelaars – iedereen is welkom.

Er is maar één groep waar ons personeel het moeilijk mee heeft, en dat zijn ballen. Mocht je niet meteen weten wat ik met ballen bedoel, dan ben je er waarschijnlijk een. Gelukkig heb ik ook een checklist:

  • Heb je geen vrouwelijke vrienden en ga je nooit met minder dan vier man op stap?
  • Als jullie naar een café gaan, roep je dan bij binnenkomst meteen de barman bij je zodat hij kan staan wachten terwijl je rustig inventariseert wat je maten willen drinken – inclusief Friso, die eerst nog even naar de plee moet?
  • Als zo’n barman na een paar minuten wegloopt, mopper je dan tegen je maten over de service?
  • Sta je het liefst bij die opening in de hoek van de bar waar het personeel erlangs moet om andere gasten te bedienen? En tikt zo’n barman je dan élke keer aan als hij erlangs moet, waardoor je geïrriteerd raakt en steeds trager aan de kant gaat?
  • Heb je de neiging om lege bierglazen in je linkerhand te stapelen en een vol glas in je rechterhand te houden?
  • Voel je na acht bier de aandrang om sigaretten te bietsen van die twee jonge meiden aan de bar, hoewel ze minder dan een kwart van jouw salaris verdienen?
  • Vind je na negen bier dat het wel eens tijd wordt dat het café een rondje geeft?
  • Vind je het na tien bier absurd dat je je glas niet meer mee naar buiten mag nemen en los je dat op door je glas in de zak van je jasje mee naar buiten te nemen?
  • Als de barman je daarop aanspreekt, geef je hem dan gelijk, om daarna tegen je maten te zeggen dat dit echt een kutkroeg is en dat die eikel naar zijn fooi kan fluiten?
  • Vind je wel eens dat er over die sluitingstijden écht niet zo moeilijk moet worden gedaan, helemaal – je wilde er niet over beginnen, maar je doet het tóch – gezien wat je hier verdomme voor een geld heen draagt?
  • Vind je na de laatste ronde dat er wel eens rondje van het huis mag komen en weet je heel zeker dat dit niet de tweede keer is dat je hierover begint?
  • Vind je fooi – ook als het personeel zich gewoon onderdanig heeft opgesteld – onnodig?
  • Sta je in je recht om woedend te zijn als die eikel van een barman een kwartier na sluitingstijd je nog halfvolle bierglas (waarvoor je óók nog betaald hebt) voor je neus weghaalt?
  • Heb je na sluitingstijd wel eens in de plantenbak op het terras van een café gepist omdat het personeel het daar echt naar gemaakt had?
  • Zou je ook maar één barman van het café waar je al jaren komt herkennen als je die op straat tegenkwam?

Als je op een of meer van bovenstaande vragen ja zou antwoorden en op die laatste nee, dan ben je een bal.

Maar ik ben hier dus niet om mijn gram te halen. Ik kom ook met een oplossing.

Ik stel een buddysysteem voor, waarmee we jouw complexe groep op weg helpen naar meer aansluiting met de rest van onze maatschappij.

Wat nou, als elke bal een bijbal kreeg?

Iemand die met je meegaat naar dat café, die er voor je is op al die lastige momenten.

Die je laat zien dat het ook anders kan.

Elke donderdag sta ik geheel tot jouw beschikking.

_______________________________________________________

De mannen op de foto zijn barmannen, en stellen zich op vrije avonden belangeloos ter beschikking als bijbal

Jonge mensen

Voordat ik achter de bar begon te werken bij Café De Druif wist ik dat het personeel een stuk jonger zou zijn dan ik. Ik maakte me daar geen zorgen over, omdat er in mijn eigen vriendenkring ook een paar twintigers zaten – de communicatie met hen was nooit problematisch.

Ik had er alleen niet bij stilgestaan dat die jonge vrienden allemaal schrijver waren – zoals ik hier al eerder zei: bejaarden in het lichaam van een twintiger. De mensen met wie ik nu bier ging tappen waren gemiddeld vijfentwintig en geen van allen schrijver. Een klein jaar bleek nodig voordat ik alle grappen snapte; de afkortingen in onze appgroep.

Ik heb me ongetwijfeld aangepast aan deze nieuwe omgeving, maar de reden dat ik nu totaal geen kloof meer ervaar zit meer in de aard van het werk: druk, sociaal, fysiek. Het is krap achter dat barretje, je bent al lichamelijk met elkaar vertrouwd voordat je weet hoe iemands ouders heten, wat iemand studeert.

Tegenwoordig zou ik met elk van mijn collega’s wel een weekend weg willen; daar ging het deze week ook over toen ik met drie van hen uit eten ging – dat we dat misschien een keertje moesten doen.

Als ik met Yuma, Vik en Lieve uit ben dan pak ik op geen enkele manier een seniore rol, en je zou je kunnen afvragen waar het dan zo’n hele avond over gaat. Ik ben er heel veel van vergeten, maar we spraken zeker over eten, over Yuma’s nieuwe baan en over dat weekendje weg.

Over ieders wensen voor de toekomst ging het ook; daar kan ik nog goed in mee – wie geen wensen voor de toekomst heeft leeft zonder hoop, en ik ben van plan om tot het bittere einde hoopvol te blijven.

Bovenal geloof ik dat onze gemene deler de humor is, de zelfspot – er zit daardoor een lichtheid onder zelfs de zwaarste onderwerpen.

Ik ben blij dat ik nog elk jaar nieuwe en diverse vrienden maak. Zoals cryptogrammen je cognitief op peil houden in de jaren van verval, zo houden die contacten me warm en verbonden op een leeftijd waarop de sociale cirkel van de meeste mensen aan een onherroepelijke krimp begint.

Feestweek

Toen ik jong was – onder de vijfenveertig – heette de periode tussen kerstavond en nieuwjaarsdag onder mijn vrienden De Feestweek. Er gold dan één harde regel: als een vriend je smste dan moest je komen.

Ik herinner me karaoke-zingen in een verder lege Meander op Eerste Kerstdag; bachata dansen (wat ik eigenlijk niet kan) in de Savoy met een al dan niet echte politieagente die al dan niet echt een vrouw was; een bunkerfeestje in Noord waar de vloer bezaaid lag met een lichtgevend groene drab – mijn vriend Abel gleed uit, viel op zijn zij en was de rest van de nacht voor de helft lichtgevend groen.

En er was meer, veel meer, maar mijn punt is dat die Feestweken even geweldig als slopend waren: vrijwel geen slaap, veel alcohol, en drugs waar mogelijk. Meestal was de week erna de uitziekweek.

Zo’n echte Feestweek gaat niet meer – ik heb het vorig jaar nog geprobeerd, maar strandde al op derde kerstdag. Er zouden die avond vrienden langskomen, ik zou koken en dat héb ik ook gedaan. Praten lukte me alleen niet meer.

Je zou kunnen zeggen dat ik als vijftiger wat laat ben met het besef dat ik te oud word om een week wakker te blijven en daarbij zoveel in te nemen. Je zou gelijk hebben. Dit jaar lag ik steeds vóór halfdrie in bed. Ik heb op twee dagen zelfs nauwelijks gedronken. Mede daardoor herinner ik me:

Karaoke-zingen met mijn dochter bij haar tante op het platteland, en hoe mooi de zonsondergang daar was.

Mijn vrienden Arie en Marijn te eten hebben, en dat Marijn – een wiskundig wonder en de jongste professor van de prestigieuze Carnegie Mellon-universiteit in Pittsburgh – zich urenlang verloor in het afmaken van een puzzel van drieduizend stukjes met mijn zoon;

Koken bij me thuis met mijn collega’s van De Druif en onze curry daarna met het voltallig personeel opeten in ons zoete warme cafeetje;

Op babybezoek gaan bij een vriend en het badeendje dat mijn dochter voor zijn kindje uitzocht – het kostte Ada een halfuur om exact het juiste eendje te vinden in zo’n kuttige toeristenwinkel;

Een kerstdiner met mijn schoonfamilie in het tweede jaar zonder mijn ouders – dat ik ze steeds meer begin te missen en dat ik daar heel blij mee ben;

Gourmetten bij vrienden en dat ik gourmetten tot mijn grote schaamte steeds minder kut vind;

Borrelen met mijn oude feestweekvrienden en dat ik die avond om elf uur in bed lag;

Dansen in de woonkamer met vrienden en familie en dan op het dak kijken naar het laatste Amsterdamse vuurwerk ooit;

Vanaf dat dak de Vondelkerk zien afbranden aan de andere kant van de stad.

Een droevig afscheid van een levenslange traditie, dat benadrukte dat Amsterdam daar, net als ikzelf voor de feestweek, écht te oud voor is geworden.

Dit feestje

Na haar repetitie bij Orkater at vriendin M met mijn gezin mee. Sommige mensen kunnen na een hectische dag in je huishouden binnenkomen en daar iets lichts toevoegen, aandacht brengen in plaats van vragen.

Vriendin M is zo iemand.

Ik had saoto gemaakt op verzoek van de kinderen; we aten en daarna vroeg M of ik mee wilde naar Gerson Main, die zijn show Het laatste feestje in Paradiso speelde.

Afgelopen zomer, onderweg met de auto door Italië, heb ik met mijn gezin veel geluisterd naar zijn nieuwe album.

Gersons melodieën zijn warm en upbeat, zijn teksten ogenschijnlijk simpel, verrassend in ritme, woordkeus, zinsafbreuk.

Toen vriend Sander me voor het eerst Mains nummer NACHT liet horen waarschuwde hij me dat hij ervan had moeten huilen – ondanks die waarschuwing moest ik dat ook.

We kwamen na het voorprogramma aan in Paradiso, haalden spa rood en één gin-tonic om te delen.

Gerson kwam op en begon vrijwel meteen over de eindigheid. Gezien M en ik boven de vijftig zijn, konden we mee met de materie. Een van de antwoorden op eindigheid die Gerson aandroeg was om er dan maar een feestje van te maken, wat hij vervolgens deed.

Zelden een band zo strak horen spelen en daarbij zo open en toegankelijk zien blijven. Main krijgt het voor elkaar dat je je totaal vrij zou voelen om hem de volgende ochtend op te bellen, te vragen hoe het met hem gaat, te vertellen wat je hebt ontbeten.

Ik dacht aan de eindigheid; aan hoe ik onlangs vastliep bij het voorlezen van een radiocolumn met hetzelfde onderwerp. Toen ik daar met B over praatte raadde ze me aan het voortaan licht te houden; om zoiets zwaars met lichtheid voor te dragen. Bij een volgend optreden bleek dat goed te werken.

Dat is precies wat Gerson Main gisterenavond deed: de eindigheid licht maken.

Tafel voor twee

Omdat ik in mijn eentje in Parijs was en tussen het werk door ook moest eten, besloot ik naar restaurants te gaan die me door een kennis waren aangeraden. In de toeristische steden moet je op tijd zijn; wacht je te lang dan worden die fijne zaakjes erg druk of erg duur of allebei.

Reserveren voor één persoon voelde belachelijk, dus ik zou langsgaan op het exacte moment dat de keuken opende en dan stralend vragen of ik misschien in mijn aardige eentje, juste moi, aan de bar mocht eten.

Mijn strategie werkte. Niet alleen kwam ik overal binnen, maar de mensen waren vriendelijk en toonden geen haast om me weer de deur uit te krijgen, wat ik goed zou hebben begrepen, omdat elke restaurantstoel in Parijs vier keer per dag bezet moet worden.

Ik had er een beetje tegenop gezien, in zo’n drukke zaak te zitten zonder gezelschap. Een man alleen, zo’n vijftiger met een groot hoofd, een brilletje met een donker montuur en een e-reader. De laatste tijd zie ik steeds een man van middelbare leeftijd in de winkelruiten en spiegels die ik passeer.

Ik zie mijn vader, als ik eerlijk ben, die een geweldige man was maar op wie ik – zoals veel zoons – niet echt wil lijken.

De lijnen die naast mijn neusvleugels beginnen en doorlopen naar de hoeken van mijn mond worden steeds dieper. Die open, harde lach van ons; hoe snel mijn ogen vochtig worden – mijn lichaamshouding soms, als ik niet oplet of veel wijn gedronken heb.

Maar ik was in Parijs, waar niemand mij of mijn vader kende, en dus zat ik sterk op hem te lijken aan mijn tafeltje voor één in Le Servan, en liet een fijne fles Jura aanrukken.

Mijn vader kon genieten van vrij kleine dingen en zo genoot ik van mijn rauwe langoustines met bindsla, mijn forel, mijn klassieke crème brûlée – in Parijse keukens voelen ze goddank nooit de behoefte daar een ‘eigen twist’ aan te geven.

Na anderhalf uur liepen we met een brede glimlach naar buiten, mijn pa en ik, klaar voor een lange wandeling door het Elfde, dat toch maar een van de leukste wijkjes van de stad was.

Alle spiegels en winkelruiten waren het volledig met ons eens.